9 juni is nog ver..         

Tourfietsers op hun racefiets hebben de naam meedogenloze verkeerspiraten te zijn die iedere onschuldige zondagsfietser van het fietspad schreeuwt. Dwazen in hun gekleurde fietstenues die wielrennertje spelen met hun 50+ buikjes op veel te dure fietsen. Ze veroorzaken ongelukken en ze zijn dus asociaal.

Nu wil het feit dat ik zelf 50+ ben en sinds jaren een fietsliefhebber ben. Als ik een helikopter boven mij hoor denk ik dat het de vliegende camera is en als ik een fietser aan de horizon ontwaar dan is het een weggesprongen renner van de concurrerende ploeg en deze dient onmiddellijk teruggehaald te worden in de buik van het peloton. Met het snot voor de ogen buig ik over mijn stuur en met het laatste beetje kracht dat ik in me heb reken ik de rakker in. Maar wat voor gevaar moet een toerfietser al niet doorstaan?

Ik heb eens geteld wat ik op een gemiddeld trainingsritje nog net aan bijna-ongelukken heb kunnen voorkomen met ‘burgerfietsprutsers’.

Ten eerste zijn daar de scholierenfietsers die uit school komen en steevast driebreed op hun omafiets je tegemoet rijden.  Ze zien je, je wenkt en belt, ze lachen vriendelijk uit en geen enkele van de drie maakt aanstalten om ruimte te maken op het smalle fietspad. Daar ik geen behoefte heb in het gras te belanden met mijn dunne bandjes houd ik uiterst rechts, niet van plan te wijken of te stoppen. Nummer drie, de buitenste van de tegemoetkomende fietskudde, kiest op het laatste moment eieren voor zijn geld en duwt zijn fietsmaatjes opzij waardoor de middelste de binnenste fietser de kant in duwt waardoor deze laatste in een heg terecht komt. Hartstochtelijk wordt ik uitgescholden voor wegpiraat.

Een stukje verder rijd er een fietser in dezelfde richting als ik met een telefoon aan het oor. Hij zwalkt van links naar rechts over het fietspad volstrekt met het hoofd niet bij het verkeer. Zelfs mijn fietsbelletje komt niet door en als ik nader gaat hij nog eens extra naar links, volledig onberekenbaar in zijn cocon. Als ik uiteindelijk dan maar rechts inhaal omdat er totaal niet op mijn belletje wordt gereageerd schrikt hij zich een hoedje en begint mij uit te schelden.

Een eindje verder rijd een moeder met haar kleine dochter op het fietspad. Het kleine meisje van 4 rijdt netjes aan de kant en de moeder, die erachter rijdt, fietst met twee brede krantentassen op haar bagagedrager midden op het fietspad. De doorgang schatte ik van verre al als uiterst beperkt in, dus ik gebruik mijn bel om vroegtijdig aandacht te trekken van de moeder. Ook deze heeft een telefoontje aan het oor en reageert totaal niet op mijn signalen. Wat dichterbij gekomen besluit ik dan een roep te geven en de moeder schrikt zich een hoedje. De goede ‘waakzame’ moeder gilt naar haar kind, dat 15 meter voor haar netjes aan de kant rijdt, dat ze op moet letten en aan de kant moet gaan. Het kleine meisje schrikt daarvan en begint te slingeren op haar fietsje en rijdt van het fietspad het gras in. En bij het passeren van de moeder hoor ik deze nog tegen haar dochtertje zeggen kijk uit dat je niet valt, waardoor het kind zich naar haar moeder omdraait en valt.

Dan heb ik het nog niet over de twee fietsers die naast elkaar rijden met beide twee grote volle krantentassen aan weerszijden achterop hun fiets. Het fietspad was volledig geblokkeerd en hun tempo was schlemielig langzaam en ze hadden de grootste lol met elkaar. Volstrekt niet door hebbend dat er nog meer fietsers dat pad wilden gebruiken. Tegemoetkomende fietsers konden er ook amper langs laat staan als je ze van achter wilde passeren. Ook daar riep mijn fietsbel alleen maar nog recalcitranter gedrag op. Ja joh we zijn niet doof hoor en verder gewoon naast elkaar blijven fietsen natuurlijk.

Verder werd ik nog geconfronteerd met een scootmobiel gebruiker die zijn hond aan een lijn van 5 meter aan het uitlaten was. De scootmobiel netjes rechts van het fietspad en de hond aan de 5 meter lange lijn aan de andere kant van het fietspad. De scootmobiel had een achteruitkijkspiegel maar ik zag in die spiegel dat de mindervalide weggebruiker de andere kant op zat te kijken. Nou heb ik niets tegen scootmobiels, later wil ik er ook een maar dan met een racestuur, maar het lijkt soms wel dat als je lang met je kont bovenop een accu zit, je geestelijke vermogens beginnen te slinken. Ik opperde, in het voorbijgaan, de mindervalide chauffeur om zijn lieve hondje wat korter aan de lijn te houden zodat het hondje niets kon overkomen en dat het voor de andere weggebruikers ook wel handig was dat ze niet over die gespannen hondenlijn zouden vallen. Nou, waar ik me mee bemoeide en verder nog veel misbaar, invaliden hadden ook hun rechten etc. Hoe dom kan je zijn?

Dan heb ik het nog niet over de afzwenkende auto’s en wandelaars die het prettiger vinden om met z’n tweeën naast elkaar op het fietspad te lopen. Nee, toerfietsers zijn asociaal. Ik ben van mening dat toerfietsers juist uiterst geconcentreerd zijn op de weg want ze zijn namelijk aan het fietsen. Geen telefoontjes, geen geklets en ze anticiperen haarscherp. Juist op de racefiets ervaar je hoe slordig en wezenloos andere fietsende weggebruikers zijn.

Het probleem zit hem denk ik in wat anders. Een Nederlander laat zich moeilijk corrigeren en de haren gaan overeind staan als er ‘gefietsbeld’ wordt. “ Je wacht maar, eikel”, “ Ik laat me door jou niet zeggen wat ik fout doe”, “ Al ben ik nog zo verkeerd ik geef gewoon jou de schuld”.

En dat is zo heerlijk van het fietsen in het buitenland. Daar zijn namelijk geen andere zwalkende fietsende weggebruikers en er zijn geen fietspaden. De auto’s nemen de ruimte om je in te halen en ze kennen geen tegels maar heerlijk asfalt. Ik doe het ermee hoor mensen, auch ich bin ein Hollander, maar hufterigheid en asociaal gedrag, ik heb het wel even gehad.

Al die wandelende koningrijkjes ( dat moet zo geschreven worden want het is namelijk ook Leuningjes) met korte lontjes die alleen maar rechten hebben en nog nooit van een plicht hebben gehoord.

Vroegah leerden we regel een van de catechismus: “Waartoe zijn wij op aarde?”  En het antwoord op deze eenvoudige doch hersenbrekende vraag was: “ Om God te dienen en daartoe in de hemel te komen”. Nu schijnt God in ons allemaal te zitten lees ik steeds vaker. Dus het praktiserend religieus vermogen onder de Nederlandse bevolking is blijkbaar toch toenemende ook al zijn de kerken inmiddels bijna leeg. Een ieder dient zichzelf en maakt er hier een eigen hemeltje van. Dat kan, ik heb het allemaal niet bedacht. De meeste oorlogen hebben met het geloof te maken, geloof ik. Blijkbaar hebben mensen liever gelijk dan geluk.

Binnenkort mag ik met wat vrienden met de fiets een weekje naar de bergen, weer even pelotonnetje spelen en het liefst zo hoog mogelijk een berg op. Weer even een piekervaring opdoen, met het hoofd in de wolken, zodat ik het gedoe weer even kan overzien. Maar eerst moeten we nog  het geleuter, geveins en de gespeelde verontwaardiging van de komende verkiezingen nog zien door te komen. Ik weet een ding zeker: ik lever mijn bonus(kaart) dit jaar niet in.

Ik vind het wel weer welletjes zo.