Tomaten, los of aan een tros

Als stadsbewoner hebben mensen meestal totaal geen besef van de totstandkoming van de groenten producten die in de supermarkt liggen. Op de middelbare school, in Den Haag, verkondigde mijn economieleraar heel enthousiast dat tomaten in de buitenlucht om een stokje heen groeide. Verbouwereerd over zoveel onwetendheid aangaande het product waar ik jaren van mijn jonge leven mee heb gewerkt, stak ik subbiet mijn vinger in de lucht. De arm waar deze vinger aan vastzat ondersteunde ik met mijn andere arm en schuin voorover hangende op mijn tafeltje wachtte ik netjes tot ik wat mocht zeggen. (ja,ja, vroeger was het schreeuwen en gelijk maar wat roepen in de klas niet gewenst). De snelheid waarmee ik mijn vinger opstak was echter zo heftig dat dit blijkbaar opviel zodat ik niet lang op mijn beurt hoefde te wachten.

Verontwaardigd corrigeerde ik dit feit met de onderbouwing dat ik als jongen al vanaf mijn 8e jaar thuis bij moest springen bij alles wat met tomaten van doen had. Voor de Westlanders in mijn klas (zeker wel 4 in getal) gold dit in feite voor elk van hen en zij beaamden mijn opmerking. De rest van de klas zat met een verbaasde blik in hun ogen naar ons (Westlanders) te kijken. Er kwamen vragen en het werd bijna een lesje “Westland info”. Dat we ’s morgens voor school al vroeg uit de veren waren om te hellepuh, hoe verstikkensheet het in een kas kon worden, hoe dat plukkuh in zijn werk ging, ‘kissies pepiere’, ’t spul naar de veiling brenguh, dieve, draaie en bladplukkuh etc, etc. Hoe langer we, als Westlanders, aan het woord waren, hoe meer we weer in onze Westlanse tongval ginguh prate.

Het werd een ware folkloristische economieles en onze Haagse klasgenoten zaten ons aan te kijken alsof we van een andere planeet kwamen. Ze moesten altijd al wel vaak om ons Westlandse accent lachen. Wij hadden er totaal geen erg in dat we zo’n accent hadden, dat begon ons daar pas op te vallen. Bijna alle Jongens uit het Westland kregen er dan ook in hun eerste schooljaar spraakles. Nu ik het erover heb realiseer ik me dat er in die tijd toch meer jongus dan meissies uit onze streek op die school zatuh. Wij natuurlijk allemaal met een spieksplinter nieuwe Puch die we verdient of gekregen hadden voor het slagen voor ons ULO diploma. Bovendien hadden wij, R.K. jongetjes, tot die tijd, vanaf de eerste klas lagere school, alleen maar in jongensklassen gezeten. Opeens zaten wij met meiden in een klas, waar we ons overigens knap ongemakkelijk bij voelden. Kon je daar zomaar mee praten? Ze waren toch wat wereldser, meer bijdehand en gehaaider dan we gewend waren.

Bovendien was het 1969, het rode boekje van de middelbare scholier was net uit, er waren studentenopstanden, bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam e.d. en er werd gediscussieerd bij het leven. Dat deden wij nog niet, hadden we nog niet geleerd, wij deden gewoon wat ons wat opgedragen en werk weigeren en de klas bezetten daar scheten we nog voor in ons broek. Dat mocht toch niet??? Wij hadden de ULO achter de rug, dat was nog geen mammoetonderwijs dus wij hadden nog examen gedaan in alle 12 examenvakken, alle talen, typediploma en middenstandsonderwijs, niks keuzes maken, werrekuh. We konden de HAVO, waar we toen op terecht kwamen, met twee vingers in de neus doen, maar dat discussiëren daar waren we nog niet zo bijdehand in en we zaten dan ook met klapperen oren te luisteren naar de proteststudenten die met goede volzinnen tegen de klasdiscipline ingingen.

Maar we leerden snel en ontdekten dat er buiten het Westland ook best wel te leven viel. Al moet ik wel zeggen dat wij in de leeftijd van 13 tot 17 jaar meer vertier in het Westland hadden gehad dan onze Haagsche medescholieren. In het Westland begonnen we al vroeg met de club 13-15 bij sociëteit Relax in Honselersdijk, daar konden we al dansen en ‘slijpen’, hadden we ook al schuurfeestjes met visnetten met bierviltjes erop e.d.. De andere sociëteiten, die in ieder dorp ontwikkelingswerk deden, organiseerden ook veel dansavonden met live muziek. In Den Haag echter begon het leven pas bij 16 a 17 jaar.

Enfin, om op de tomaten terug te komen, want ik dwaal af nu ik over die tijd terugdenk. Die tomaten zijn in de winkel ontzettend duur als je weet wat een tuinder er voor kreeg en krijgt. Wie verdient er nu het meeste aan?. Nou de tuinder in ieder geval niet maar de winkels die op de kleintjes passen , zal ik maar zeggen. De tomaat is nu ook een soort snoepgoed geworden dat je in een leuk doorzichtig bakje kan aanschaffen. Vroeger waren dat de krieltomaten, die leverde in feite het minste op. Maar in de winkel ligt het nu voor goed geld apart te wezen.

Wat ik ook bijzonder vind is dat de tomaten die netjes geplukt zijn veel goedkoper zijn dan de tomaten die nog aan een‘trossie’ zitten. Het is dus minder werk en je betaald er goed geld meer voor. Gaat u dat zelf maar eens vergelijken in de supermarkt. Maar het ziet er wat groenterijker uit met zo’n groen takje waar ze nog aanzitten, maar het blijft wel dezelfde tomaat. De losse tomaat heet bij de weegschaalkassa ‘ronde tomaat’ omdat ze veeeel ronder zijn dan de trostomaat. Als oud Westlander moet ik dan toch innerlijk zachtjes lachen als ik een Haagsch echtpaar hoor discussiëren over de aan te schaffen tomaat, puur en alleen op de verpakking. Dan voel ik me nog bevoorrecht dat ik weet waar Abraham de mosterd vandaan heeft op dat gebied. Maar ze kopen het en wie verkoopt heeft gelijk.

Zo blijft mijn verleden me toch telkens weer achtervolgen en hoe lang ik ook uit de streek bent, in het diepste van mijn hart voel ik me nog steeds een Poelukker en Westlander. Omdat ik ook veel met binnenstad Hagenezen werk is het platte Haags me ook niet onbekend en klinkt het soms in mijn woorden door. Goh, jij bent zeker een echte Hagenees?”, vragen ze dan. Ik weet niet hoe snel ik dan gelijk moet zeggen dat ik oorspronkelijk een Westlander ben. Net zo snel als toen ik mijn 16e mijn vinger opstak in de economieles. Want ze mogen alles van me zeggen, maar niet dat ik een Hagenees ben, want dan vind ik het wel weer welletjes.
Alvast een prettige zomer en plukse