Ingezonden column

De volgende column heeft ooit in ons dorpsblad gestaan en ik wilde u deze zeker niet onthouden. We hebben de tekst uitgetypt, omdat het heel moeilijk leesbaar zou zijn als we de pagina in het geheel zouden plaatsen. De oorspronkelijke tekst uit 1886 is overgenomen.
LANTAARNAANSTEKERS
Vaarwel den ouden jaar met al uw zorgzaamheden
Maar slaan wij eens een blik nog in 't verleden,
Zoo zien wij zonneklaar al wat er is geschiedt
Den eene had pleizier den ander had verdriet.
Het is wel zeker waar dat er velen kunnen klagen,
Want dit geheele jaar schonk weinig mooie dagen
Den zomer koud en droog daarom ook weinig groei,
Den wijnstok veel beloofd maar slecht weer in den bloei.
Zoo is de mensch geneigt daarover toch te klagen,
Maar laten wij dit leed in godsnaam toch maar dragen.
Want soms licht hier de schuld aan ons wangedrag,
Het is God die alles weet en ik niet zeggen mag.
Maar het kan soms toch zijn God schoen geeft naar voeten,
Toch is het beter hier dan hier namaals dit te boeten.
Maar daarom niet getreurt God schonk ons ruimschoots eten,
Maar geven wij ons hart al met een rein geweten.
Beminnen wij elkander laat de afgunst hier niet woelen,
En dat geen haat of nijd dit dorp zal bespoelen.
Wij weten God is goed en kan ons alles geven,
Als wij maar eensgezind al met elkander leven.

Want Hij die alles ziet den Schepper van 't heelal,
Hij is voor ons geboren al in een beestenstal.
Al met een hemelvreugd mochten wij die dag beleven,
Te zitten aan zijn disch en hem ons hand te geven.
Kom danken wij dan Hem voor al wat Hij ons gaf,
Hij schonk ons weer het leven bewaard van 't kille graf.
Want velen zijn met ons dit jaar weer ingetreden,
Maar door Gods hand geraakt zijn zij nu overleden.
Het was soms onzen steun en stok hier op dee'z aarde,
De vrienden in ons huis de grootste schat van waarde.
Maar laat dit alles ons toch niet kleinmoedig maken,
Het was de wil van God die over ons zal waken.
Want kampen is geen leed goed sterven is gewin,
Ik sluit het oude jaar wij gaan het nieuwe in.
Ik wil nu tevens weer den zegen voor u vragen,
Dat in dit nieuwe jaar de boomen vruchten dragen.
Dat den zegen van den Heer u ruimschoots wordt gegeven,
Dat is de wensch van mij die dit heeft uitgeschreven.
Ik wil dan met mijn wenschen in het bizonder treden,
Den zegen van den Heer wordt door mij afgebeden.
Vooreerst voor onzen Vorst en onzen Koningin,
Dat zij in vrede mogen leven en bij den eenen zin.
En dat ons klein Prinsesje nog langen jaar mag leven,
En dat ons Nassau's bloed aan ons land mag blijven kleven.
Ik wensch den Achtbaren heer den edelen Burgervader,
Dat hem geen kamp nog leed in zijne woning nadert.
Dat hij met moed en kracht voor zijn gemeente streve,
En met zijn heel gezin in gezondheid moge leven.
En al die ook met hem de lasten helpen dragen,
God schonk wijs beleid en ook gezonde dagen.
Ik wensch den eerwaarden heer den Herder van ons allen,
Dat God hem vrede geeft bewaard voor ongevallen.
Dat hij nog jaren lang aan God offers op mag dragen,
En hij gezond mag zijn tot aan zijn oudere dagen.
De eerwaarde Kapelaans die voor en met hem werken,
Dat God hun krachten geeft en hij hun zal versterken.
En dat de zuivere leer mag vloeien uit hun mond,
En vruchten dragen mag het geheele dorp rond.
Het kerk- en arm bestuur dat God u daarvoor loone,
En gij bij wintertijd uw milde hand mag toonen.
Ik wensch de zusterschaar die in het gesticht regeeren,
God geeve hun steeds geest om de kinderen te leeren.
En zij met hart en mond voor God en godsdienst blaken,
En dat hun ook geen leed of rampen zal genaken.
Het geneeskundig bestuur dat zij met moed en kracht,
En waar de nood steeds dringt wij hun verwachten mag.
Dat hij gezond mag zijn wij kunnen hem niet ontberen,
En als het God steeds wil de ziekte van ons weren.
De schoolmeester van de jeugd dat God u weer zal sparen,
Van allerhande leed en druk en rampen zal bewaren.
En hij met zijn gemalin in gezondheid weer mag leven,
En dat de minste leed op hen zal blijven kleven.
Ik wensch alle tuiniers ook dat het hun wel zal gaan,
Want dit is toch een vak daar velen door bestaan.

Ik wensch dat ook dit jaar de boomen vruchten dragen,
Dit geeft den werkman werk en kan de tuinman ook behagen.
Dat God zijn wasdom geeft aan alles wat hij teelt,
En dat den handel bloeit dan is alles weer geheelt.
Ik wensch den bouwman ook dat hij veel boter zal maken,
En dat hem van dit jaar geen rampen zullen raken.
Ik wensch den metselaar en ook den timmerman,
Dat hij gezond mag zijn en ook veel werken kan.
Dat ook den verversman weer huizen op mag sieren,
En dat hij gezond mag zijn en werken met pleizieren.
Dat den wagenmaker ook veel wagens heeft te maken,
Zoodat dan ook den smid tot werken kan geraken.
Ik wensch hun ook geluk met al wat zij beginnen,
Veel vreugde in hun huis want hun arbeid is steeds binnen.
Die schoenen aan de voet weet netjes pas te maken,
En het geluk maar heeft dat zij deftig kraken.
Hij die de naald hanteert en kleedingstukken kan maken,
En baarden scheren kan en niet het vleesch te raken.
Hij die het vee hier slacht en thuis brengt bij de menschen,
Dat hij gelukkig zij wat kan ik meerder wenschen.
Ik wensch alle winkeliers veel nering aan hun huis,
Den bakker brengt het brood al bij de menschen thuis.
Ik wensch alle kasteleins veel volk in hun huis,
Want als zij daar niet komen dan is het ook niet pluis.
Hij die de ketels maakt en lampen ook soldeert,
Hij die de manden maakt dat hun geen leed ook deert.
Hij die de boter maakt en melk brengt bij de menschen,
Dat God hun zegenen zal wat kan ik meerder wenschen.
Ik wensch de schipperij en bodes van alhier,
Ook een gelukkig jaar en verder veel pleizier.
Den arbeider die met schop en spa moet werken,
Dat God hun krachten geeft en hij hun zal versterken.
En als er mogen zijn die ik nog heb vergeten,
Die wensch ik ook geluk dan is het buiten weten.
Dit wensch ik u van harte mijn waarde burgerschaar,
Als God ons zegenen zal dan zijn wij toch weer klaar.
Dat is de wensch van mij gezalig nieuwe jaar,
Het oude is versleten het nieuwe is weer daar.
Dit is de wensch van mij aan u allen gericht,
En als het donker is wordt het dorp door mij verlicht.
Uw dienaar en Lantaarn-Aansteker J. Veerkamp
