
De geschiedenis van Poeldijk
naar het boek van Edward van Bergen
Note: De tekst is door Marianne letterlijk overgenomen uit het boek, dat dateert uit 1929. Dus er zijn geen spelfouten gemaakt door ons, maar in die tijd schreef men op deze manier. De blauw onderstreepte teksten, zijn directe links naar websites of pagina's. Alleen even dubbelklikken er op.
POELDIJK
HOOFDSTUK 1
Sedert eeuwen met Monster vereenigd ----van 1811 tot 1813
bij Loosduinen,----Naamsoorsprong,-----Oude kapel,
Beeldenstorm,-----De Wederdoopers.
---------------------------------
Poeldijk, een plaatsje van ouden datum, was vroeger eene heerlijkheid en in
vereeniging met Monster,Ter Heijde en Half- Loosduinen, eene hooge heerlijkheid
en vormde met genoemde plaatsen het Monster-Ambacht. Noch in de Enqueste van
1494, noch in de Informatie van 1514, waarbij werd vastgesteld het aandeel door
elke plaats te betalen voor 's lands onderhoud, wordt er dan ook
afzonderlijk van Poeldijk gesproken, maar tezamen met Monster.
Enkele jaren heeft Poeldijk behoort tot
Loosduinen,
toen deze plaats werd ingericht tot zelfstandige gemeente, waardoor een einde
kwam aan de zonderlinge regeeringstoestanden, die aanleiding konden geven tot
verwikkelingen en moeilijkheden.
Van oudsher was Loosduinen, verdeeld in Half- Loosduinen, zooverre ze behoorde
tot het oude Haag-Ambacht, terwijl de andere helft, met Monster, Poeldijk, Ter
Heijde, eene hooge heerlijkheid uitmaakte.
Deze beide deelen waren geheel afhankelijk van de regeering van andere plaatsen;
wat onder Haag-Ambacht behoorde stond met zijn hooge-, middelbare- en lagere
jurisdictie, onder den Baljuw, Schout en Regeering van 's-Gravenhage, en de
bewoners van dit gedeelte der gemeente moesten dan ook aldaar te recht staan.
Half- Loosduinen, dat onder Monster hoorde, had den Prins van Oranje tot
Ambachtsheer. De Hooge-, middelbare- en lagere jurisdictie, werd uitgeoefend
door den Baljuw, Schout, gerechte en Secretaris van Monster. Aan dien eenigzins
verwarrende toestand kwam plotseling een einde door eene nawerking nog van het
revolutietijdperk, dat aan het einde der XVIIIe eeuw met geweld intrad.
In
1806 had Napoleon onze Republiek omgezet in een Koninkrijk Holland en zijn
broeder
Lodewijk Napoleon tot Koning benoemd, in de verwachting dat hij een willig
werktuig zou zijn in zijne handen. Het tegendeel was waar.
Koning Lodewijk wenschte zelfstandig te regeeren, met het vaste voornemen het
welzijn van zijn volk te behartigen. Dit was niet naar den zin van den
almachtigen Keizer en hevige botsingen ontstonden tusschen de twee broeders, die
tot gevolg hadden dat Koning Lodewijk op 1 Juli 1810 afstand deed van de
Regeering ten behoeve van zijn oudsten zoon Napoleon Lodewijk.
Maar de Keizer keurde zijne beslissing niet goed en deelde op 13 Juli d.a.v. aan
de vertegen woordiging des volks kortweg mede, dat Holland had opgehouden te
bestaan en voortaan een deel zou uitmaken van het groote Fransche Keizerrijk.
Natuurlijk moest nu alles op Franschen leest worden geschoeid en om daartoe te
komen werd het eene bevel na het andere uitgevaardigd en zoo ook een om van de
onder zijn scepter staande gebieden, grensscheidingen van Departementen,
Arrondissementen, Kantons en gemeenten vast te stellen.
Toen men dit werk te Loosduinen aanving, stootte men al dadelijk op
moeilijkheden. Tusschen het huizencomplex te Loosduinen, Eikenduinen en Poeldijk
bestond samenhoorigheid, innige
gemeenschap, die totaal ontbrak met 's-Gravenhage aan de eene, Monster aan de
andere zijde. Toch wilde Monster het gehucht Poeldijk niet missen en begon,
zoodra er sprake van was eene actie om het te behouden. Men wilde onderhandelen,
maar aan hooger hand was men afkeerig van nutteloos geschrijf, eindeloos
geredeneer en bij Keizerlijk decreet werd kort en bondig besloten, dat met
ingang van 21 October 1811, het gehucht Loosduinen met Eikenduinen en Poeldijk,
inbegrepen Kwintsheul, eene zelfstandige gemeente Loosduinen zouden vormen,
ingedeeld bij het Arrondissement Rotterdam, Kanton Naaldwijk.

Het nieuwe Bestuur stond al dadelijk voor eene groote moeilijkheid, n.l. het
bepalen der juiste grenzen door het Keizerlijk decreet niet aangegeven.
Het zat de gemeente Monster erg dwars dat ze Poeldijk en Kwintsheul had moeten
verliezen en deed dan ook het uiterste om de grens zoo ver mogelijk terug te
dringen. Het ging er heftig toe en overeenstemming scheen niet te bereiken. De
prefect de Stassart hakte den knoop door en stelde bij Besluit van 8 December
1811, na den Maires van 's-Gravenhage, Monster en Loosduinen te hebben gehoord,
de grens vast.
Nolens volens, tegen wil en dank, moest Monster met dit besluit vrede nemen; een
beroep op den Keizer zou geen uitwerking hebben; Napoleon was niet de man om op
een genomen besluit terug te komen.
Toch bleef Monster niet werkeloos, hield de zaak en liet geen gelegenheid
voorbij gaan om een protest te laten hooren.Toen in 1813 het Huis van Oranje in
zijne rechten was hersteld, scheen ook voor Monster de tijd aangebroken om
opnieuw den strijd aan te binden en ditmaal met beter succes, want in 1816
werden Poeldijk en Kwintsheul weer van Loosduinen afgescheiden.
Evenmin als Ter Heijde had Poeldijk een afzonderlijk wapen, maar voerde
hetzelfde wapen van Monster: drie
wassende manen in een zilveren veld.
Hoe kwam de plaats aan haar naam?
Niet ver van het tegenwoordige Poeldijk lag in vroegere eeuwen een Poel, waarvan
gesproken wordt in een giftbrief van 1198 van
Graaf Dirk
VII, waarbij hij schonk aan eene Capelrie, door Anselmus, Kapelaan van zijn
vader
Floris III en van hem zelven,
gesticht in de Ste Maria Kerk te Utrecht ,,tot een vrye en van alle
dienstbaarheid ontheeven inkomste zeker landgoed, hem in eigendom
toebehoorende, en rondompaalende aan het water de Poel, by Naaldwijk,'t
welke door den dood van zekeren zijnen leenman,
met naame Johan Naghel aan hem vervallen was, voor zijne zaligheid en voor
de zaligheid zijner bloedverwanten."
De Poel, waarvan hier sprake is, was de eenige niet welke men in deze buurt
aantrof, want op oude kaarten vindt men ook Poelen
aan den weg naar Monster en de veronderstelling zal zeker noch gewaagd noch
onwaarschijnlijk zijn, dat de Poelen ingepolderd
en drooggemaakt door er een dijk om te leggen, de buurt waar dit plaats had,
den naam ontving van Poeldijk, onder welke
benaming zij in 1284 voorkomt, zooals blijkt uit den giftbrief, waarbij
Diederik, Heer van Wassenaar, vier morgen land ,,die leegen
in den Poeldijc an de nortside van den cappellen" aan het Convent van
Rijnsburg schonk.

De Kapel, waarvan hier sprake, had tot patrones de H. Maagd, later ook den
H.Bartholomeus, nu nog de patroon der Kerk. In 1358
vindt men als, priester en cappellaen" hier werkzaam Jacob van Cruinendam,
terwijl in een giftbrief van 5 Mei 1395 de ,,Kercmeesters
van den Poeldijc" bekend maken, dat ons heer Ghysbrecht van den Poel,
Kanonic tot Naeldyc ghegheven heeft tot onser Vrouwen
behoef van den Poeldyc vyf hont lants......ende dit voorscreven staet"
Uit een brief van 13 September 1438 blijkt, dat dit land verkocht werd aan
de Abdij van Rijnsburg, om noetsaken wille die capelle
mede te tymmeren".
Waar heeft deze Kapel gestaan?
Met zekerheid is dit niet vast te stellen, maar het waarschijnlijkste is op
dezelfde plaats, waar later de Kerk werd opgericht.
Dit blijkt uit de verklaring, door den hageprediker Wouter Simonsz in 1568
voor zijn rechter afgelegd, dat hij ,,syn eerste sermoen
op 't Kerchoff van de capelle tot Poeldyck gedaen heeft; ende heeft dair
noch diversche sermoenen op d'eerst plaitse gedain, als:
in de Poeldyck voersz. op 'tKerckhoff".
Uit deze verklaring is niet alleen het bestaan der Kapel afdoende bewezen,
maar ook dat de Poeldijkers, al behoorden ze kerkelijk
tot de Parochie Monster, hunne dooden niet aldaar moesten begraven, zooals
de Loosduiners nog lange jaren moesten doen.

Daar men nu te Poeldijk nergens eenig spoor van een Kerkhof heeft ontdekt,
dan wel op de plaats waar het tegenwoordige nog ligt, is dunkt ons, de plaats der oude Kapel vrij zeker aangegeven.
Wanneer en hoe deze Kapel verdween is moeilijk te zeggen. Stellig weten we
dat ze in 1563 nog bestond, toen werd er dienst gedaan
door Gerrit Jansz. de Pape; hoogstwaarschijnlijk werd ze vernield in 1566,
toen de aanhangers der nieuwe leer in de streek zoo talrijk
waren geworden, dat ze openlijk begonnen op te treden. Poeldijk, op
tamelijken afstand van Monster, bood een geschikt terrein voor
de verkondigers van nieuwe leerstellingen. Hier kon men rustig aan den
arbeid gaan, zonder gevaar te loopen elk oogenblik door den
Schout, die te Monster of te 's-Gravenhage verbleef, te worden overvallen en
dit verklaart ons het uitkiezen van deze afgelegen plaats
door de Wederdoopers, om er eene propaganda-campagne te voeren.
Deze sekte, kort na het optreden van Maarten Luther ontstaan, onderscheidde
zich én in het dwaze en buitensporige harer leer,én om
hare schand- en gruweltooneelen. Men trof haar het eerst aan in Duitschland
en kwam van daar naar Nederland, waar ze, vooral onder
de laagste volksklasse, een niet ongunstig onthaal vond.
In zijne ,, Geschiedenis van den oorsprong en het begin der nederlandsche
beroerten" heeft Dr.
W.J.F. Nuyens
deze oproerige sekte
volgenderwijze beknopt, doch juist en volledig, geschetst: ,,Onmiddellijk
ontstaan na Luther's eerste optreden, hadden de Wederdoopersde uiterste gevolgtrekking uit zijne leer getrokken. Het algemeen
priesterschap legden zij uit op hunne wijze; insgelijks de vrijheid
van onderzoek. Zij ontaardden in een hoop woeste dwepers, die de
ongebondenheden der oude Manicheen en de droomerijen der
hedendaagsche communisten in een monsterachtig stelsel ineen smolten; of
liever gezegd, zij hadden geen godsdienstig stelsel.
Onder de Wederdoopers vond men sekten, die zich op sekten stapelden.
Herdoopen van hen die tot hunne leer toetraden, ongedoopt
laten van de kinderen, totdat zij de jaren des onderscheids bereikt hadden,
was het eenige wat allen kenmerkte en hun hunnen naam gaf.
Droomers van een duizendjarig rijk; profeten die zich door God bezield
waanden; mannen, zooals David Joris de Delftenaar, die zich
zelfs voor den Zoon Gods uitgaf; zinneloozen, die uit de Schrift het gebod
ontleenden om naakt te loopen;
losbandigen, die veelwijverij,
op voorbeeld der patriarchen van het oude verbond, voor prijzenswaardig
verklaarden; anderen, die gemeenschap van vrouwen en
goederen invoerden; politieke dwepers, die iedere overheid verwerpen naam
van de algemeene vrijheid der menschen en op gezag
van den bijbel; opstandelingen, die gehoorzaamheid aan de overheid zelfs tot
zonde rekenden; alle deze vormden te zamen het tal
van sekten, die onder den naam van Wederdoopers, Anabaptisten, zulk een
treurigen naam verworven hebben.
Zij waren meer dan allen gehaat. De aanhangers daarvan werden gevonden onder
de lagere volksklasse, de kleine burgerij en den
boerenstand. De eerste jaren van hun optreden kenmerkten zich door de
stoutste aanslagen tegen de maatschappij.
In Duitschland maakten zij een vreeselijken burgeroorlog. Onder een
kleedermaker van Leiden vermeesterden zij Munster en stichtten
daar een kortstondig, monsterachtig koningschap; eene weerkaatsing van de
droomerijen, de geile en bloeddorstige driften van een
rederijker, die, vervuld van de herinneringen aan de staatie van het
tooneel, de Aziatische voorstellingen uit het Oude Testament,
doormengde met heiligschennende misvormingen van het Cristendom.
In Amsterdam, in Leiden en in andere steden van de Nederlanden beproefden
zij het, op het voorbeeld hunner broeders in Munster,
zich insgelijks van de stad meester te maken. Als waanzinnigen liepen zij
met het blanke zwaard door de straten, andere waanzinnigen
belegerden de overheid op het stadhuis; andere weder gaven in geheime
bijeenkomsten eene herhaling van de losbandige en
naamlooze bijeenkomsten der Manicheen''.
Groot nadeel werd door de Wederdoopers toegebracht aan de zaak der
Hervorming, die bij velen in verdenking kwam en we begrijpen
dan best de verzuchting van Ds. B. ter Haar, in zijne, Geschiedenis der
Kerkhervorming": ,, Het kan ons, wanneer wij als protestanten
regtvaardig willen oordeelen, geenzins bevreemden, dat na zulke schand- en
gruweltooneelen, de vervolging van de zijde der
Roomschgezinden heviger dan ooit begon te blaken, omdat men dit alles als de
onzalige vrucht der Hervorming beschouwde".
Met geweld uit alle steden verdreven, zochten de Wederdoopers eene laatste
toevlucht op het platteland en kozen ook het Westland
als tooneel hunner uitspattingen, overtuigd steun te vinden in eene streek
waar de nieuwe leer reeds vele aanhangers telde.
In het begin van 1535 kwam inderdaad te Poeldijk, ten huize van Jutte
Eeuwouts, een genaamde Adriaanz., van Hazerwoude, ,,zeggende een man Godts te zijn, bevende en schuddende, ende haer te kennen
gevende dat hij nergens hem onthouden mochte".
In die dagen van godsdienstigen twijfel moet het volstrekt niet moeilijk
geweest zijn, voor iemand die wat bespraakt was, de eenvoudige
menschen de grootste dwaasheden voor waarheid te doen aannemen. Jutte
Eeuwouts althans was spoedig voor den prediker, van een
in deze streek nieuw geloof, gewonnen en stelde haar huis geheel ter
beschikking van hem die zich noemde ,,Coninck van Yserahel,
zeggende dat hij meerder was dan Moyses of dan eenich propheet, ende dat hij
die geheele werelt straffen zoude".
Door Adriaan Adriaansz en zijne aanhangers werd overal het gerucht verspreid
dat, als straf voor het vele kwade dat bedreven werd,
de wereld weldra zou vergaan, indien ten minste geene boetvaardigheid gedaan
werd. De gelegenheid daartoe was gunstig; in deze
streek was verschenen ,,een man Godts, die uyten hemel ontfangen zoude een
peert, een swaert en de een crone omme die
ongerechtige te straffen".
![]()
,,Doet boete! wee u Babylon!" klonk het langs velden en wegen, en een deel
der bevolking was zoo met angst en schrik bevangen,
dat men zich van de verschillende Westlandsche dorpen naar de bijeenkomsten
begaf, die eene enkele maal te Naaldwijk,
ten huize van Adriaan de Sant, werden gehouden, doch meestal te Poeldijk.

Of de zedelooze tooneelen, die elders plaats hadden, zich hier herhaalden,
weten we niet, wel dat in die bijeenkomsten door vurige
opgeschroefde predikatiën de verbeelding behoorlijk werd geprikkeld,
zoodanig dat allen gehoorzaamden aan de bevelen van ,,den man
Godts", al wat ze bezaten, goederen en geld, in de kas der gemeenschap
stortten, beloofden in alles trouw de geboden na te leven
en in het oogenblik des gevaars den Koning te zullen volgen.Ten dien prijze
was er nog redding mogelijk.
Het uit den hemel beloofde zwaard was op eene volgende bijeenkomst waarlijk
aanwezig en werd toevertrouwd aan de zorgen van
Claes Jansz, van Hazerswoude, ,,omme daer mede doot te slaen allen den
geenen die van Godt niet uytvercoren en waren, ende
mits dien heeft hij de naem van de Coninck ontvangen: slaet doot, ende
verwachtte den tijd als 't zelve gebueren soude".
Die tijd kwam gelukkig niet.
De procureur-generaal van den Hove van Holland, spoedig op de hoogte
gesteld, zond in het geheim de noodige mannen, die,
op het oogenblijk dat er weer vergadering was, den man Godts, den slaet doot
en vele volgelingen gevangen namen.
Gemakkelijk was dit niet gegaan. Eerst begaven de dienaars van den procureur
zich naar Naaldwijk, waar ze niemand aantroffen,
maar vernamen dat er te Poeldijk vergaderd werd. Men trok erheen, omsingelde
het huis van Jutte Eeuwouts, bestormde het,
maar gelukte er slechts in bij den derde aanval het goed versterkte huis
binnen te dringen. De Anabaptisten weigerden zich gevangen
te geven en verdedigden zich met uiterste krachtsinspanning. Een der
dienaars, genaamd Joost Jacobszoon, verklaarde later dat hij
,,hantgemeen geworden is mitten Coninck ende mit hem onder de voet gevallen
mit zyn een been doer de solder in welcke
worstelinge hy zynen cleynen vinger mit een stuck van slincker handt off
gehouden is mits twelck hy zyn kost nyet winnen mochte.
Voor welcke smarte ende interest hem by den voorscr. hove toegevoucht ende
getauxeert zyn twaelff ponden van X grooten tpondt".
Naar 's-Gravenhage overgebracht verschenen de Wederdoopers voor het Hof van
Holland, dat hen ongenadig strafte.
Uit de ,,Crimineele Sententien van het Hof van Holland", loopende van 27
September 1529 tot 6 September 1538, berustende in het
Rijksarchief, waaruit we voorenstaande bijzonderheden hebben geput,
schrijven we de volgende vonnissen over betreffende Westlanders in de zaak betrokken, vonnissen die een eigenaardig licht werpen op
de rechtspleging dier dagen.
5 Maart 1535, Jan Buys, van Ter Heijde, onder het overbrengen naar den Haag
ontvlucht, ten eeuwigen dagen gebannen uit Holland,
Zeeland en Friesland op verbeurte van lijf en goederen.
14 Maart 1535, Heynrich Willemsz, Saelmaker, Lenaert Aerntsz, van Naaldwijk,
jeronimus Cleermaker, van Egmond op 't Zee,
Adriaan Jorgsz, alias de man Godts, Aernt Gerritz, van Poeldijk, ,,geleyt te
worden op 't schavot staende in den hage aen de plaetse,
ende aldaer gerecht te worden mitten swaerde, zyn hooft gestelt op een
staeck ende lichaem op een radt, verclarende alle zyne
goeden geconfisqueert".
13 maart 1535, Claes jansz, van Hazerswoude ''geleyt te worden op 't schavot
staende aan de plaetse in den Hage en aldaer zijn herdt
allevendich uitgenommen, zyn hooft afgehouden en gestelt te worden op een
staeck ende zyn lichaem gequarteleert,
verclarende alle zyn goeden geconfisqueert".
6 Maart 1535, jutte Eeuwouts, te poeldijk, ''gehangen ende metten baste
geworgd, verclarende alle haere goeden geconfisqueert".
18 maart 1535, Tryn Pietersz. dochter van Castricum, Anneken Jansdochter,
van Haarlem, Haze Claes, van Poeldijk, en Geertje
Heyndericks, ''gedrenct te worden, verclarende alle haeren goeden
geconfisqueert".
18 Maart 1535, Claes jansz. Leke, van Poeldijk, ''geleyt te worden op 't
scavot staende in den Hage aen de plaetse, ende aldaer
gerecht te worden metten swaerde, verclarende allen zyne goeden
geconfisqueert''.
23 Maart 1535, Maritgen Pouwels, dochter, Geertgen Heynrics dochter
huysvrouw van Jan Govertsz. Joosten Heynrics dochter
ende Lysbet Simons dochter huysvrouw van Jan Thomasz., van Poeldijk, ,,te
comen voor den Hove in heure linnen clederen elk
met twee roeden in haer armen, ende verclarende dat hem leet is dat zy hem
in zulke vergaderinge gevonden hebben ende hem
daer voortaen of wachten zullen, ende dat gedaen voorts geleyt te worden met
die voorsz. roeden in de armen tot op 't scavot aen
de plaetse in den Hage ende daer te staen een merckelicken tyt ende daer nae
gegeeselt te worden, ende op onse lieve vrouwe
dach als saterdach naestcomende in gelycke zynde clederen mit een barnende
wassenkaerse van een half pondt in de handt
te hoeren die geheele hoochmisse in den prochiekercke van Monster sittende
voor dat Koor, ende die misse gedaen zynde,
die voersz. kaerse te offeren voer dat heylige sacrament aldaer, ende dat
gedaen zynde, bandt hem luyden ende elk van hem binnen
den ambachte van Monster den tyt van een jaer, ende binnen denzelven tyd
daer uit niet te vertrecken op peyne van aen haer lyven
gecorrigeert te worden tot arbitrage van dezelve Hove''.
23 Maart 1535, Maritgen Adraens dochter,maritgen Maertens dochter huisvrouw
van Jan Claesz. en Adriane Maartens dochter,
van Poeldijk, ,, te comen voor den Hove in haere lynne clederen mit een
barnende wassenkaerse van een half pondt in de handt,
ende alsoe den Hove te bidden om vergiffenisse, verclarende dat hem leet is
dat zy hem onbedachtelicken in zulk gezelschap
gevonden hebben ende voortaen daer van wachten zullen, ende dat gedaen de
voersz. kaersse te brengen en te offeren voor
dat heylige waerdige sacrament, in de capelle van den voersz. Hove, ende in
gelycke habyte ende kaersse op ons lieven vrouwendag
als Saturdag naestcomende te hooren die geheele hoochmisse in de prochie
Kerke van Monster voer de Koer, ende die misse gedaen
zynde die zelve kaersse te offeren voor dat heylige sacrament aldaer''.
23 Maart 1535, Tryntgen, Cornelis dochter en 24 Maart 1535, Marte Coucke,
beiden van Ter Heijde, ,, te comen voor den Hove in
haer lynde clederen mit een barnende wassekaersse van een half pondt in de
handt, ende alzoe denzelven Hove ende Justitie te
bidden om vergiffenisse, ende diezelve kaersse daer nae te dragen ende te
offeren voor dat heylige waerdige sacrament in de
cappelle van den voorsz. Hove''.
23 Maart 1535, Bette Jansdochter alias Bette Chielen en Cornelis Pietersz.,
alias Scheephouck en 22 Mei 1536, Claes Jansz. Vierboet,
allen van Ter Heijde, werden dezelfde straffen opgelegd als aan voorgaanden,
maar daarenboven vergiffenis te vragen ,, voor den
Schout en Schepenen van Monster, ten eersten dat zy vergaderen zullen, ende
alsdan die kaersse te dragen ende te offeren voer
dat heylige sacrament in de prochie kercke aldaer''.
19 Juli 1536, Clasgen Schouten werd gebannen ,, uyten landen van Hollandt,
Zeelandt, Vrieslandt ende Uytrecht den tyt van vier
jaeren te ruymen den Hage ende Haegambacht binnen drie dagen eerstcomende,
ende daer inne niet weder te comen binnen de
voorsz. tyt op tie verbuerte van haer lyf, ende condempneert haer voorts te
betalen tot profyte van de K.M. in handen van den
rentmeester van den Exploiten van dezen Hove die somme van veertich Karolus
guldens''.
20 Juli 1535, Vincente Adriaensdochter, ,, te comen voor den Hove in haer
linden clederen mit een wassen barnende kaersse van
een half pondt in de hant ende bidden alsoe dat de K.M. en de Justitie om
vergiffenisse ende dieselve kaerse soe te dragen ende
te offeren voor dat heylige waerdige sacrament in de cappelle van den Hove,
ende daerna gebracht worden op 't scavot staende
op te plaetse in den Hage ende gestelt mit twee roeden in haire armen ende
alsoe een wyle tyts gestaen hebbende bant haer
tot eeuwige dage uyten lande van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt ende
Uytrecht, te ruymen ende Haegambacht binnen 's daegs
sonneschyn ende die andere landen binnen drie dagen naestcomende, ende
daerinne niet wederomme te commen optie verbeurte
van haar lyf, verclarende alle haere goeden verbeurt ende geconfisqueert tot
profyte van den K.M.''.
