De geschiedenis van Poeldijk

naar het boek van Edward van Bergen

Note: De tekst is door Marianne letterlijk overgenomen uit het boek, dat dateert uit 1929. Dus er zijn geen spelfouten gemaakt door ons, maar in die tijd schreef men op deze manier. De blauw onderstreepte teksten, zijn directe links naar websites of pagina's. Alleen even dubbelklikken er op.

 POELDIJK

HOOFDSTUK 1

Sedert eeuwen met Monster vereenigd ----van 1811 tot 1813
bij Loosduinen,----Naamsoorsprong,-----Oude kapel,
Beeldenstorm,-----De Wederdoopers.
---------------------------------


Poeldijk, een plaatsje van ouden datum, was vroeger eene heerlijkheid en in vereeniging met Monster,Ter Heijde en Half- Loosduinen, eene hooge heerlijkheid en vormde met genoemde plaatsen het Monster-Ambacht. Noch in de Enqueste van 1494, noch in de Informatie van 1514, waarbij werd vastgesteld het aandeel door elke plaats te betalen voor 's lands onderhoud,  wordt er dan ook afzonderlijk van Poeldijk gesproken, maar tezamen met Monster.

Enkele jaren heeft Poeldijk behoort tot Loosduinen, toen deze plaats werd ingericht tot zelfstandige gemeente, waardoor een einde kwam aan de zonderlinge regeeringstoestanden, die aanleiding konden geven tot verwikkelingen en moeilijkheden.

Van oudsher was Loosduinen, verdeeld in Half- Loosduinen, zooverre ze behoorde tot het oude Haag-Ambacht, terwijl de andere helft, met Monster, Poeldijk, Ter Heijde, eene hooge heerlijkheid uitmaakte.

Deze beide deelen waren geheel afhankelijk van de regeering van andere plaatsen; wat onder Haag-Ambacht behoorde stond met zijn hooge-, middelbare- en lagere jurisdictie, onder den Baljuw, Schout en Regeering van 's-Gravenhage, en de bewoners van dit gedeelte der gemeente moesten dan ook aldaar te recht staan.

Half- Loosduinen, dat onder Monster hoorde, had den Prins van Oranje tot Ambachtsheer. De Hooge-, middelbare- en lagere jurisdictie, werd uitgeoefend door den Baljuw, Schout, gerechte en Secretaris van Monster. Aan dien eenigzins verwarrende toestand kwam plotseling een einde door eene nawerking nog van het revolutietijdperk, dat aan het einde der XVIIIe eeuw met geweld intrad.

In 1806 had Napoleon onze Republiek omgezet in een Koninkrijk Holland en zijn broeder Lodewijk Napoleon tot Koning benoemd, in de verwachting dat hij een willig werktuig zou zijn in zijne handen. Het tegendeel was waar.

Koning Lodewijk wenschte zelfstandig te regeeren, met het vaste voornemen het welzijn van zijn volk te behartigen. Dit was niet naar den zin van den almachtigen Keizer en hevige botsingen ontstonden tusschen de twee broeders, die tot gevolg hadden dat Koning Lodewijk op 1 Juli 1810 afstand deed van de Regeering ten behoeve van zijn oudsten zoon Napoleon Lodewijk.
Maar de Keizer keurde zijne beslissing niet goed en deelde op 13 Juli d.a.v. aan de vertegen woordiging des volks kortweg mede, dat Holland had opgehouden te bestaan en voortaan een deel zou uitmaken van het groote Fransche Keizerrijk.

Natuurlijk moest nu alles op Franschen leest worden geschoeid en om daartoe te komen werd het eene bevel na het andere uitgevaardigd en zoo ook een om van de onder zijn scepter staande gebieden, grensscheidingen van Departementen, Arrondissementen, Kantons en gemeenten vast te stellen.

Toen men dit werk te Loosduinen aanving, stootte men al dadelijk op moeilijkheden. Tusschen het huizencomplex te Loosduinen, Eikenduinen en Poeldijk bestond samenhoorigheid, innige
gemeenschap, die totaal ontbrak met 's-Gravenhage aan de eene, Monster aan de andere zijde. Toch wilde Monster het gehucht Poeldijk niet missen en begon, zoodra er sprake van was eene actie om het te behouden. Men wilde onderhandelen, maar aan hooger hand was men afkeerig van nutteloos geschrijf, eindeloos geredeneer en bij Keizerlijk decreet werd kort en bondig besloten, dat met ingang van 21 October 1811, het gehucht Loosduinen met Eikenduinen en Poeldijk, inbegrepen Kwintsheul, eene zelfstandige gemeente Loosduinen zouden vormen, ingedeeld bij het Arrondissement Rotterdam, Kanton Naaldwijk.
 


Het nieuwe Bestuur stond al dadelijk voor eene groote moeilijkheid, n.l. het bepalen der juiste grenzen door het Keizerlijk decreet niet aangegeven.
Het zat de gemeente Monster erg dwars dat ze Poeldijk en Kwintsheul had moeten verliezen en deed dan ook het uiterste om de grens zoo ver mogelijk terug te dringen. Het ging er heftig toe en overeenstemming scheen niet te bereiken. De prefect de Stassart hakte den knoop door en stelde bij Besluit van 8 December 1811, na den Maires van 's-Gravenhage, Monster en Loosduinen te hebben gehoord, de grens vast.

Nolens volens, tegen wil en dank, moest Monster met dit besluit vrede nemen; een beroep op den Keizer zou geen uitwerking hebben; Napoleon was niet de man om op een genomen besluit terug te komen.
Toch bleef Monster niet werkeloos, hield de zaak en liet geen gelegenheid voorbij gaan om een protest te laten hooren.Toen in 1813 het Huis van Oranje in zijne rechten was hersteld, scheen ook voor Monster de tijd aangebroken om opnieuw den strijd aan te binden en ditmaal met beter succes, want in 1816 werden Poeldijk en Kwintsheul weer van Loosduinen afgescheiden.
Evenmin als Ter Heijde had Poeldijk een afzonderlijk wapen, maar voerde hetzelfde wapen van Monster: drie wassende manen in een zilveren veld.

Hoe kwam de plaats aan haar naam?
Niet ver van het tegenwoordige Poeldijk lag in vroegere eeuwen een Poel, waarvan gesproken wordt in een giftbrief van 1198 van Graaf Dirk VII, waarbij hij schonk aan eene Capelrie, door Anselmus, Kapelaan van zijn vader Floris III en van hem zelven, gesticht in de Ste Maria Kerk te Utrecht ,,tot een vrye en van alle dienstbaarheid ontheeven inkomste zeker landgoed, hem in eigendom toebehoorende, en rondompaalende aan het water de Poel, by Naaldwijk,'t welke door den dood van zekeren zijnen leenman,
met naame Johan Naghel aan hem vervallen was, voor zijne zaligheid en voor de zaligheid zijner bloedverwanten."
De Poel, waarvan hier sprake is, was de eenige niet welke men in deze buurt aantrof, want op oude kaarten vindt men ook Poelen aan den weg naar Monster en de veronderstelling zal zeker noch gewaagd noch onwaarschijnlijk zijn, dat de Poelen ingepolderd en drooggemaakt door er een dijk om te leggen, de buurt waar dit plaats had, den naam ontving van Poeldijk, onder welke benaming zij in 1284 voorkomt, zooals blijkt uit den giftbrief, waarbij Diederik, Heer van Wassenaar, vier morgen land ,,die leegen in den Poeldijc an de nortside van den cappellen" aan het Convent van Rijnsburg schonk.

De Kapel, waarvan hier sprake, had tot patrones de H. Maagd, later ook den H.Bartholomeus, nu nog de patroon der Kerk. In 1358 vindt men als, priester en cappellaen" hier werkzaam Jacob van Cruinendam, terwijl in een giftbrief van 5 Mei 1395 de ,,Kercmeesters van den Poeldijc" bekend maken, dat ons heer Ghysbrecht van den Poel, Kanonic tot Naeldyc ghegheven heeft tot onser Vrouwen behoef van den Poeldyc vyf hont lants......ende dit voorscreven staet"
Uit een brief van 13 September 1438 blijkt, dat dit land verkocht werd aan de Abdij van Rijnsburg, om noetsaken wille die capelle mede te tymmeren".

Waar heeft deze Kapel gestaan?
Met zekerheid is dit niet vast te stellen, maar het waarschijnlijkste is op dezelfde plaats, waar later de Kerk werd opgericht. Dit blijkt uit de verklaring, door den hageprediker Wouter Simonsz in 1568 voor zijn rechter afgelegd, dat hij ,,syn eerste sermoen op 't Kerchoff van de capelle tot Poeldyck gedaen heeft; ende heeft dair noch diversche sermoenen op d'eerst plaitse gedain, als: in de Poeldyck voersz. op 'tKerckhoff".
Uit deze verklaring is niet alleen het bestaan der Kapel afdoende bewezen, maar ook dat de Poeldijkers, al behoorden ze kerkelijk tot de Parochie Monster, hunne dooden niet aldaar moesten begraven, zooals
de Loosduiners nog lange jaren moesten doen.



Daar men nu te Poeldijk nergens eenig spoor van een Kerkhof heeft ontdekt, dan wel op de plaats waar het tegenwoordige nog ligt, is dunkt ons, de plaats der oude Kapel vrij zeker aangegeven. Wanneer en hoe deze Kapel verdween is moeilijk te zeggen. Stellig weten we dat ze in 1563 nog bestond, toen werd er dienst gedaan door Gerrit Jansz. de Pape; hoogstwaarschijnlijk werd ze vernield in 1566, toen de aanhangers der nieuwe leer in de streek zoo talrijk waren geworden, dat ze openlijk begonnen op te treden. Poeldijk, op tamelijken afstand van Monster, bood een geschikt terrein voor de verkondigers van nieuwe leerstellingen. Hier kon men rustig aan den arbeid gaan, zonder gevaar te loopen elk oogenblik door den Schout, die te Monster of te 's-Gravenhage verbleef, te worden overvallen en dit verklaart ons het uitkiezen van deze afgelegen plaats door de Wederdoopers, om er eene propaganda-campagne te voeren.

Deze sekte, kort na het optreden van Maarten Luther ontstaan, onderscheidde zich én in het dwaze en buitensporige harer leer,én om hare schand- en gruweltooneelen. Men trof haar het eerst aan in Duitschland en kwam van daar naar Nederland, waar ze, vooral onder de laagste volksklasse, een niet ongunstig onthaal vond.

In zijne ,, Geschiedenis van den oorsprong en het begin der nederlandsche beroerten" heeft Dr. W.J.F. Nuyens deze oproerige sekte volgenderwijze beknopt, doch juist en volledig, geschetst: ,,Onmiddellijk
ontstaan na Luther's eerste optreden, hadden de Wederdoopersde uiterste gevolgtrekking uit zijne leer getrokken. Het algemeen priesterschap legden zij uit op hunne wijze; insgelijks de vrijheid van onderzoek. Zij ontaardden in een hoop woeste dwepers, die de ongebondenheden der oude Manicheen en de droomerijen der hedendaagsche communisten in een monsterachtig stelsel ineen smolten; of liever gezegd, zij hadden geen godsdienstig stelsel.
Onder de Wederdoopers vond men sekten, die zich op sekten stapelden. Herdoopen van hen die tot hunne leer toetraden, ongedoopt laten van de kinderen, totdat zij de jaren des onderscheids bereikt hadden, was het eenige wat allen kenmerkte en hun hunnen naam gaf. Droomers van een duizendjarig rijk; profeten die zich door God bezield waanden; mannen, zooals David Joris de Delftenaar, die zich zelfs voor den Zoon Gods uitgaf; zinneloozen, die uit de Schrift het gebod ontleenden om naakt te loopen; losbandigen, die veelwijverij, op voorbeeld der patriarchen van het oude verbond, voor prijzenswaardig verklaarden; anderen, die gemeenschap van vrouwen en goederen invoerden; politieke dwepers, die iedere overheid verwerpen naam van de algemeene vrijheid der menschen en op gezag van den bijbel; opstandelingen, die gehoorzaamheid aan de overheid zelfs tot zonde rekenden; alle deze vormden te zamen het tal van sekten, die onder den naam van Wederdoopers, Anabaptisten, zulk een treurigen naam verworven hebben. Zij waren meer dan allen gehaat. De aanhangers daarvan werden gevonden onder de lagere volksklasse, de kleine burgerij en den boerenstand. De eerste jaren van hun optreden kenmerkten zich door de stoutste aanslagen tegen de maatschappij.
In Duitschland maakten zij een vreeselijken burgeroorlog. Onder een kleedermaker van Leiden vermeesterden zij Munster en stichtten daar een kortstondig, monsterachtig koningschap; eene weerkaatsing van de droomerijen, de geile en bloeddorstige driften van een rederijker, die, vervuld van de herinneringen aan de staatie van het tooneel, de Aziatische voorstellingen uit het Oude Testament, doormengde met heiligschennende misvormingen van het Cristendom.
In Amsterdam, in Leiden en in andere steden van de Nederlanden beproefden zij het, op het voorbeeld hunner broeders in Munster, zich insgelijks van de stad meester te maken. Als waanzinnigen liepen zij  met het blanke zwaard door de straten, andere waanzinnigen belegerden de overheid op het stadhuis; andere weder gaven in geheime bijeenkomsten eene herhaling van de losbandige en naamlooze bijeenkomsten der Manicheen''.

Groot nadeel werd door de Wederdoopers toegebracht aan de zaak der Hervorming, die bij velen in verdenking kwam en we begrijpen dan best de verzuchting van Ds. B. ter Haar, in zijne, Geschiedenis der
Kerkhervorming": ,, Het kan ons, wanneer wij als protestanten regtvaardig willen oordeelen, geenzins bevreemden, dat na zulke schand- en gruweltooneelen, de vervolging van de zijde der Roomschgezinden heviger dan ooit begon te blaken, omdat men dit alles als de onzalige vrucht der Hervorming beschouwde".
Met geweld uit alle steden verdreven, zochten de Wederdoopers eene laatste toevlucht op het platteland en kozen ook het Westland als tooneel hunner uitspattingen, overtuigd steun te vinden in eene streek  waar de nieuwe leer reeds vele aanhangers telde.
In het begin van 1535 kwam inderdaad te Poeldijk, ten huize van Jutte Eeuwouts, een genaamde Adriaanz., van Hazerwoude, ,,zeggende een man Godts te zijn, bevende en schuddende, ende haer te kennen gevende dat hij nergens hem onthouden mochte".

In die dagen van godsdienstigen twijfel moet het volstrekt niet moeilijk geweest zijn, voor iemand die wat bespraakt was, de eenvoudige menschen de grootste dwaasheden voor waarheid te doen aannemen. Jutte Eeuwouts althans was spoedig voor den prediker, van een in deze streek nieuw geloof, gewonnen en stelde haar huis geheel ter beschikking van hem die zich noemde ,,Coninck van Yserahel, zeggende dat hij meerder was dan Moyses of dan eenich propheet, ende dat hij die geheele werelt straffen zoude".

Door Adriaan Adriaansz en zijne aanhangers werd overal het gerucht verspreid dat, als straf voor het vele kwade dat bedreven werd, de wereld weldra zou vergaan, indien ten minste geene boetvaardigheid gedaan werd. De gelegenheid daartoe was gunstig; in deze streek was verschenen ,,een man Godts, die uyten hemel ontfangen zoude een peert, een swaert en de een crone omme die ongerechtige te straffen".



,,Doet boete! wee u Babylon!" klonk het langs velden en wegen, en een deel der bevolking was zoo met angst en schrik bevangen, dat men zich van de verschillende Westlandsche dorpen naar de bijeenkomsten
begaf, die eene enkele maal te Naaldwijk, ten huize van Adriaan de Sant, werden gehouden, doch meestal te Poeldijk.


Of de zedelooze tooneelen, die elders plaats hadden, zich hier herhaalden, weten we niet, wel dat in die bijeenkomsten door vurige opgeschroefde predikatiën de verbeelding behoorlijk werd geprikkeld, zoodanig dat allen gehoorzaamden aan de bevelen van ,,den man Godts", al wat ze bezaten, goederen en geld, in de kas der gemeenschap stortten, beloofden in alles trouw de geboden na te leven en in het oogenblik des gevaars den Koning te zullen volgen.Ten dien prijze was er nog redding mogelijk.

Het uit den hemel beloofde zwaard was op eene volgende bijeenkomst waarlijk aanwezig en werd toevertrouwd aan de zorgen van Claes Jansz, van Hazerswoude, ,,omme daer mede doot te slaen allen den geenen die van Godt niet uytvercoren en waren, ende mits dien heeft hij de naem van de Coninck ontvangen: slaet doot, ende verwachtte den tijd als 't zelve gebueren soude".
Die tijd kwam gelukkig niet. De procureur-generaal van den Hove van Holland, spoedig op de hoogte gesteld, zond in het geheim de noodige mannen, die, op het oogenblijk dat er weer vergadering was, den man Godts, den slaet doot en vele volgelingen gevangen namen.
Gemakkelijk was dit niet gegaan. Eerst begaven de dienaars van den procureur zich naar Naaldwijk, waar ze niemand aantroffen, maar vernamen dat er te Poeldijk vergaderd werd. Men trok erheen, omsingelde
het huis van Jutte Eeuwouts, bestormde het, maar gelukte er slechts in bij den derde aanval het goed versterkte huis binnen te dringen. De Anabaptisten weigerden zich gevangen te geven en verdedigden zich met uiterste krachtsinspanning. Een der dienaars, genaamd Joost Jacobszoon, verklaarde later dat hij
,,hantgemeen geworden is mitten Coninck ende mit hem onder de voet gevallen mit zyn een been doer de solder in welcke worstelinge hy zynen cleynen vinger mit een stuck van slincker handt off gehouden is mits twelck hy zyn kost nyet winnen mochte. Voor welcke smarte ende interest hem by den voorscr. hove toegevoucht ende getauxeert zyn twaelff ponden van X grooten tpondt".
Naar 's-Gravenhage overgebracht verschenen de Wederdoopers voor het Hof van Holland, dat hen ongenadig strafte.

Uit de ,,Crimineele Sententien van het Hof van Holland", loopende van 27 September 1529 tot 6 September 1538, berustende in het Rijksarchief, waaruit we voorenstaande bijzonderheden hebben geput,
schrijven we de volgende vonnissen over betreffende Westlanders in de zaak betrokken, vonnissen die een eigenaardig licht werpen op de rechtspleging dier dagen.
5 Maart 1535, Jan Buys, van Ter Heijde, onder het overbrengen naar den Haag ontvlucht, ten eeuwigen dagen gebannen uit Holland, Zeeland en Friesland op verbeurte van lijf en goederen.
14 Maart 1535, Heynrich Willemsz, Saelmaker, Lenaert Aerntsz, van Naaldwijk, jeronimus Cleermaker, van Egmond op 't Zee, Adriaan Jorgsz, alias de man Godts, Aernt Gerritz, van Poeldijk, ,,geleyt te worden op 't schavot staende in den hage aen de plaetse, ende aldaer gerecht te worden mitten swaerde, zyn hooft gestelt op een staeck ende lichaem op een radt, verclarende alle zyne goeden geconfisqueert".
13 maart 1535, Claes jansz, van Hazerswoude ''geleyt te worden op 't schavot staende aan de plaetse in den Hage en aldaer zijn herdt allevendich uitgenommen, zyn hooft afgehouden en gestelt te worden op een staeck ende zyn lichaem gequarteleert, verclarende alle zyn goeden geconfisqueert".
6 Maart 1535, jutte Eeuwouts, te poeldijk, ''gehangen ende metten baste geworgd, verclarende alle haere goeden geconfisqueert".
18 maart 1535, Tryn Pietersz. dochter van Castricum, Anneken Jansdochter, van Haarlem, Haze Claes, van Poeldijk, en Geertje Heyndericks, ''gedrenct te worden, verclarende alle haeren goeden geconfisqueert".
18 Maart 1535, Claes jansz. Leke, van Poeldijk, ''geleyt te worden op 't scavot staende in den Hage aen de plaetse, ende aldaer gerecht te worden metten swaerde, verclarende allen zyne goeden geconfisqueert''.
23 Maart 1535, Maritgen Pouwels, dochter, Geertgen Heynrics dochter huysvrouw van Jan Govertsz. Joosten Heynrics dochter ende Lysbet Simons dochter huysvrouw van Jan Thomasz., van Poeldijk, ,,te  comen voor den Hove in heure linnen clederen elk met twee roeden in haer armen, ende verclarende dat hem leet is dat zy hem in zulke vergaderinge gevonden hebben ende hem daer voortaen of wachten zullen, ende dat gedaen voorts geleyt te worden met die voorsz. roeden in de armen tot op 't scavot aen
de plaetse in den Hage ende daer te staen een merckelicken tyt ende daer nae gegeeselt te worden, ende op onse lieve vrouwe dach als saterdach naestcomende in gelycke zynde clederen mit een barnende
wassenkaerse van een half pondt in de handt te hoeren die geheele hoochmisse in den prochiekercke van Monster sittende voor dat Koor, ende die misse gedaen zynde, die voersz. kaerse te offeren voer dat heylige sacrament aldaer, ende dat gedaen zynde, bandt hem luyden ende elk van hem binnen den ambachte van Monster den tyt van een jaer, ende binnen denzelven tyd daer uit niet te vertrecken op peyne van aen haer lyven gecorrigeert te worden tot arbitrage van dezelve Hove''.

23 Maart 1535, Maritgen Adraens dochter,maritgen Maertens dochter huisvrouw van Jan Claesz. en Adriane Maartens dochter, van Poeldijk, ,, te comen voor den Hove in haere lynne clederen mit een  barnende wassenkaerse van een half pondt in de handt, ende alsoe den Hove te bidden om vergiffenisse, verclarende dat hem leet is dat zy hem onbedachtelicken in zulk gezelschap gevonden hebben ende voortaen daer van wachten zullen, ende dat gedaen de voersz. kaersse te brengen en te offeren voor dat heylige waerdige sacrament, in de capelle van den voersz. Hove, ende in gelycke habyte ende kaersse op ons lieven vrouwendag als Saturdag naestcomende te hooren die geheele hoochmisse in de prochie Kerke van Monster voer de Koer, ende die misse gedaen zynde die zelve kaersse te offeren voor dat heylige sacrament aldaer''.
23 Maart 1535, Tryntgen, Cornelis dochter en 24 Maart 1535, Marte Coucke, beiden van Ter Heijde, ,, te comen voor den Hove in haer lynde clederen mit een barnende wassekaersse van een half pondt in de handt, ende alzoe denzelven Hove ende Justitie te bidden om vergiffenisse, ende diezelve kaersse daer nae te dragen ende te offeren voor dat heylige waerdige sacrament in de cappelle van den voorsz. Hove''.
23 Maart 1535, Bette Jansdochter alias Bette Chielen en Cornelis Pietersz., alias Scheephouck en 22 Mei 1536, Claes Jansz. Vierboet, allen van Ter Heijde, werden dezelfde straffen opgelegd als aan voorgaanden, maar daarenboven vergiffenis te vragen ,, voor den Schout en Schepenen van Monster, ten eersten dat zy vergaderen zullen, ende alsdan die kaersse te dragen ende te offeren voer dat heylige sacrament in de prochie kercke aldaer''.
19 Juli 1536, Clasgen Schouten werd gebannen ,, uyten landen van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt ende Uytrecht den tyt van vier jaeren te ruymen den Hage ende Haegambacht binnen drie dagen eerstcomende, ende daer inne niet weder te comen binnen de voorsz. tyt op tie verbuerte van haer lyf, ende condempneert haer voorts te betalen tot profyte van de K.M. in handen van den rentmeester van den Exploiten van dezen Hove die somme van veertich Karolus guldens''.
20 Juli 1535, Vincente Adriaensdochter, ,, te comen voor den Hove in haer linden clederen mit een wassen barnende kaersse van een half pondt in de hant ende bidden alsoe dat de K.M. en de Justitie om
vergiffenisse ende dieselve kaerse soe te dragen ende te offeren voor dat heylige waerdige sacrament in de cappelle van den Hove, ende daerna gebracht worden op 't scavot staende op te plaetse in den Hage ende gestelt mit twee roeden in haire armen ende alsoe een wyle tyts gestaen hebbende bant haer tot eeuwige dage uyten lande van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt ende Uytrecht, te ruymen ende Haegambacht binnen 's daegs sonneschyn ende die andere landen binnen drie dagen naestcomende, ende daerinne niet wederomme te commen optie verbeurte van haar lyf, verclarende alle haere goeden verbeurt ende geconfisqueert tot profyte van den K.M.''.

 

 

    Deel twee