De geschiedenis van Poeldijk

naar het boek van Edward van Bergen

Note: De tekst is door Marianne letterlijk overgenomen uit het boek, dat dateert uit 1929. Dus er zijn geen spelfouten gemaakt door ons, maar in die tijd schreef men op deze manier. De blauw onderstreepte teksten, zijn directe links naar websites of pagina's. Alleen even dubbelklikken er op.



HOOFDSTUK II.


Stouter optreden der hervormden.------- Kerken gesloten.-------
Vervolgingen der Katholieken.------- De Zendelingen.-------
Franciscus Verburch.-------- Zijn zegenrijke arbeid.-------
Bevordet fruitteelt.---------Moeilijkheden.------Zijne opvolgers.-------
Gunstige beschikkingen.-------- De patriotten.-------
Gelijkstelling alle burgers.------ Kerkhof aangelegd.--------
Grootere Kerk gebouwd in 1850.-------Torenzicht.-------
Rederijkerskamer.
-----------------------------------------------------------------



Het krachtdadige en besliste optreden der overheid had den gewenschten uitslag: de laatste sporen der Wederdoopers in het Westland waren weldra geheel uitgeroeid, maar hunne kortstondige optreding had toch gevolgen. Met verdubbelde belangstelling was de aandacht algemeen op de nieuwe leer gevestigd, openlijk durfde men er over spreken en redetwisten, waar handige dienaars gebruik van maakten om met onverdroten ijver voort te werken en alzoo bij velen ongemerkt den weg voor te bereiden tot openlijken overgang tot het Protestantisme.
Zeker was dit het geval te Poeldijk, waar het aantal aanhangers der nieuwe Leer zoo groot moet zijn geweest, dat in deze plaats, zooals reeds gemeld, Wouter Simonsz , syn eerste sermoen op 't Kerckhoff van de Capelle tot Poeldyck gedaen heeft; ende heeft dair noch diversche sermoenen up deerste plaitse gedaen", zooals genoemde hageprediker in 1568 aan zijne rechters verklaarde.
Uit deze bijeenkomsten, die ook plaats hadden te Monster ,,in seeckere schuyre ende oeck dair buyten", te Naaldwijk ,op de werff van Corn.Steffensz, op 't veld achter 't huys den voirs. Corn. Steffensz, in 't ydel huys van de Vos, ten huyse van den voirs. Corn. Steffensz", is in 1566 de eerste geheime gemeente ontstaan, te Naaldwijk gevestigd, waarheen men aanvankelijk uit de verschillende gemeenten te zamen kwam om de godsdienstoefeningen bij te wonen. Met den triomf der Hervorming braken er voor de aan het oude geloof trouw geblevenen, moeilijke dagen aan. De kerken werden gesloten, de herders verjaagd en de geringste roomsche practijk ten strengste verboden, bij ontdekking zwaar gestraft.
Geheel verlaten zijn de Katholieken echter nooit geweest. Onder duizend gevaren, zorgvuldig vermomd, waren er altijd priesters die op ongeregelde tijden, op afgelegen plaatsen, aan hunne volgelingen den troost van den godsdienst brachten.
Wel opmerkelijk is het dat verschillende plaatsen in het Westland, waarheen die geestelijken zich begaven, herhaaldelijk bij name worden genoemd en Poeldijk daaronder slechts eene enkele maal voorkomt.
Hieruit kan worden opgemaakt, dat heel de bevolking dezer plaats, met uitzondering misschien van een enkel gezin buiten de kom gevestigd, tot de nieuwe Leer was overgegaan. En dat klopt met de mededeeling van Franciscus Verburch die, toen de vervolging der Katholieken met de jaren was geluwd, op 28 December 1647, door de geestelijke overheid tot eersten pastoor van het Westland werd aangesteld.

Bij zijne komst te Poeldijk, dat slechts een tiental huizen telde, kon hij geen geschikte woning vinden en was genoodzaakt zijn intrek te nemen in eene bouwvallige schuur, die aanvankelijk ook dienst moest doen tot verzamelplaats der geloovigen. Dat de bevolking hem ook vijandelijk was gestemd kan hieruit worden opgemaakt, dat, als hij zich op straat vertoonde, door de ouderen werd gehoond en bespot, de jongeren steenen en kluiten naar hem wierpen, maar, zegt een dichter:


De Gods vriend echter wierp dan duiten,
Gaf Christenliefde weer voor haat.


Aan Verburch was eene zware taak op de schouders gelegd. Buiten Poeldijk, hem als standplaats aangewezen,wat mede te beschouwen is als een bewijs dat hier zijn onafgebroken arbeid het noodzakelijkste was, moest hij ook Monster, Ter Heijde, 's Gravenzande, Naaldwijk, Honselersdijk en een gedeelte van Loosduinen bediennen.
De grootste strijd had hij te voeren tegen de predikanten van Delfland, die zich tot de Staten van Holland wendden, om te protesteeren tegen zijne aanstelling en deze wilden doen herroepen. Daaraan werd echter geen gevolg gegeven, misschien wel uit hoofde van de 300 gulden recognietie, die de pastoor jaarlijks zou betalen. Kalm, tactisch, maar vastberaden zette Verburch zich aan den arbeid en kon zich al spoedig in eenigen bijval verheugen. Wat van grooten invloed is geweest is de steun, die hij ondervond van de vorstelijke bewoners van het Hof te Honselersdijk, prinses Maria, die er in volkomen afzondering leefde, na den dood van haar gemaal Willem II, en ook den latere Stadhouder Willem III, die den pastoor al vroeg had leeren kennen, voor hem eene bijzonder genegenheid, warme vriendschap opvatte, die met de jaren niet verminderde, want menigmaal vereerde hij later den herder met een bezoek, en ging zelfs, mogen we den zooeven aangehaalde dichter gelooven, bij Verburch graag 's avonds spelen met de Kaert.


Wat ook niet weinig bijdroeg tot het welslagen van zijn arbeid, is het ijveren van Verburch ter bevordering van land- en tuinbouw. De vruchtbaarheid van den grond was hem niet ontsnapt en bij zijne huisbezoeken trof hij verschillende vruchten aan, afkomstig uit de tuinen der kloosters, in de dagen der hervorming verwoest en gesloten,die men echter niet wist te behandelen en dan ook niet opleverden wat men er van had kunnen verwachten. Verburch zette zich met woord en daad aan den arbeid, om naast het geestelijke welzijn zijner gemeentenaren, ook hun stoffelijk welzijn te verzekeren. Vooral in het kweeken van den wijngaard oordeelde hij, dat voor deze streek eene veelbelovende toekomst was weggelegd, en hij moedigde hen dan ook met zooveel kracht aan, dat hij algemeen gehouden wordt voor den invoer- der dezer nu nog zo mild vloeiende bron van welvaart, waardoor de naam van het Westland ook in den vreemde bekend en beroemd is geworden. Als een bewijs hoe vruchtbaar de arbeid van Verburch in het Westland was, diene wat we lezen in een stuk van 1652.


,,In Wateringhe wert dagelycks gepredickt ende mis gedaen ten huyse: 1, van Roeland Pietersen, welgeboren man, binnen het dorp van Wateringhe; 2, van Willem Janssen den Baes, wonende aen Sunderenwegh; 3, van Louw Carssen, op 't water.
Papen syn: Hr. Jan van der Aa, tot Ryswyck en die paep uytten Poeldyk, by denwelcken dat woonen twee cloppen ende nog een paep. Syn twee nieuwe huysen gebouwd tot woningh ende dienst van de papen: staende in het dorp van Poeldyck. Op Sondagh lestleden syn by de 4000 papisten by den anderen geweest".


Dit laatste mag misschien overdreven zijn, het getuigt in elk geval, dat het aantal, papisten" reeds zeer groot was.
Al spoedig kon Verburch zijne taak dan ook niet meer alleen aan en werd zijn neef: Cornelis Verburch, hem als kapelaan toegevoegd.Toen deze in 1670 benoemd werd tot eersten pastoor van Wateringen, moest Verburch weer lange jaren al den arbeid alleen vervullen, wat hem in 1687 al te zwaar werd; hij had toen den leeftijd van 70 jaar bereikt en had 40 dienstjaren in het Westland achter den rug. Hij verzocht dan ook hem een jonge medewerker te zenden, die hij voorbereiden kon om hem op te volgen. Hieraan werd voldaan, maar.........
Petrus Codde, in 1688 tot Vicaris der Hollandsche Zending benoemd, behoorde tot de volgelingen der door den H. Stoel veroordeelde leer van Jansenius, wat eerst na zijne benoeming aan het licht was gekomen,en benoemde bij elke gelegenheid aanhangers zijner richting. Pastoor Verburch verzette zich tegen de aanstelling van een Jansenist, herinnerende aan den twist en oneenigheid in de naaste buurschap ontstaan, maar Codde dreef zijn wil door en zoo zijn hier achtereenvolgens als kapelaan werkzaam geweest Everardus Staplert van der Wielen en Theodorus de Croon, van de oud- Roomsche Clerezij. Door den H. Stoel werd Codde uit zijn ambt ontzet en vervangen door theodorus de Cock en deze benoemde, op 5 November 1703, Johannes Bijleveld tot Kapelaan te Poeldijk.
Maar de staten van Holland kozen de partij van Codde, en ontzegden, bij plakkaat van 17 Augustus 1702, iedere handeling van rechtsmacht aan de Cock, zoodat Bijleveld zijne taak niet mocht uitoefenen en de 86-jarige Verburch genoodzaakt was zijne bediening als pastoor te blijven waarnemen.
Later echter liet men Bijleveld toe, misschien wel als gevolg van het smeekschrift in 1704 door verburch
ingediend en mede- onderteekend door 383 parochianen, den ouden herder bij te staan, juister gezegd,
in zijne plaats den dienst geheel waar te nemen, want de eenmaal zo krachtige, sterke man, de stoere werker, die tenvolle den eeretitel verdient: de Apostel van het Westland, was totaal
uitgeput en overleed 28 December 1707.
Zijn opvolger, Johannes Bijleveld, zette zijn taak voort. Onaangenaamheden van verschillenden aard werden hem niet gespaard. Nog tijdens het leven van Verburch was besloten, de oude schuur, die tot kerk diende, te herbouwen tot een waardig bedehuis. Men verzuimde de noodige toestemming daarvoor aan te vragen.
Toen het werk geheel klaar was, zond de Zuid Hollandsche Synode een rekwest aan de Staten van Holland om tegen deze stoute daad te protesteeren en deze besloten dan ook, op 14 December 1713 ,,dat de van nieuws gemaakte Capel of Kerke tot last van degeen, die dezelve hebben doen maaken en stellen voor 1 Mey naastkomende tot de grond sal moeten werden afgebrooken ende geslegt'".
Dadelijk werd dit besluit ten strengste uitgevoerd en eerst in 1721 werd door Gecommitterde Raden toestemming verleend ,,tot het weer opbouwen der oude Roomsche Kerck in de Poeldijck, mits niet grooter als 1900 vierkante voeten gelyck de vorige".
Deze en meer andere moeilijkheden en onaangenaamheden, die den Roomschen in den weg werden gelegd, hadden geen ander doel dan den sterken groei der tot het oude geloof terugkeerenden tegen te gaan, maar leverden het gewenschte resultaat niet op, integendeel. De aangroei der Katholieke bevolking in het Westland bleef aanhouden en de oude schuurkerk te poeldijk werd te klein om allen te bevatten. Gevraagd en verkregen werd in 1779 de noodige toestemming tot vergrooting der Kerk, wat eene zeer belangrijke uitgave veroorzaakte.
Reeds het volgende jaar was het werk klaar en Poeldijk bezat toen ,,eene allerfraaiste Kerck, wier weergae in de heele provincie van Holland niet gevonden wordt, bestaande uit een lang vierkant gebouw, aant 'welk de huyzinge van den heer Pastoor gevonden wordt, zijnde hooger dan de Kerk zelve en waarboven een fraai klein torentje, met een uurwerk en klok voorzien uitrijst; binnen mede alleruitmuntendst gemaakt en versierd, zoodat menigmaal de jaloerscheid daarover heeft gaande geweest; en over derzelver opzichtelijkheid bewegingen zijn voorgevallen".
De woelige dagen der Patriotten, die in het midden der XVIIIe eeuw, de stadhouderlijke waardigheid van
het huis van Oranje wilden afschaffen en daardoor in het geheele land groote beroering teweeg brachten,
leverden voor de Katholieken dit voordeel op, dat de stelselmatige verdrukking ophield, dat ze hunne klachten ter kennis der overheid konden brengen, in menig geval recht werd gedaan en in elk geval dat het uit was met de geldafpersingen, gekend onder den naam van admissie, bienvenu, recognietie.
We zeiden het reeds dat Verburch van af zijn optreden 300 gulden per jaar moest betalen, zijn opvolgers hadden daarenboven 300 gulden admissie te storten, insgelijks een bedrag voor admissie van een kapelaan, voor herstel of verbouwing van kerk of pastorie, enz. Natuurlijk ging er tegen die afschaffing een heftig protest op van de zijde der ambtenaren. De toenmalige Baljuw H.van Dalen tenminste beklaagde er zich bitter over en beweerde dat bij het aanvaarden van zijn ambt die gelden waren opgegeven, als een gedeelte der inkomsten zijner bediening. De volledige vrijheid en gelijkstelling van Roomschen en andersgezinden, dankt men aan de groote omwenteling van 1795 en de welvarende Poeldijksche Statie maakte er gebruik van om hare Kerk te voorzien van toren met klokken en uurwerk.
Ondanks de latere afscheidingen, door het vormen van zelfstandige parochieën, Naaldwijk met 's Gravenzande in 1787, Loosduinen in 1785 en Monster met Ter Heijde in 1803, was het aantal  communicanten te Poeldijk in 1886 1190 of juist zooveel als in 1778, toen de Kerkelijke gemeente nog
onverdeeld was.
Om met het kerkelijke gedeelte te eindigen zij medegedeeld, dat in 1827, door pastoor Bernardus Johannes Loos, een R.K.Kerkhof werd aangelegd, op de plaats waar de oude Schuurkerk had gestaan en dat op 25 September 1850, onder pastoor Cornelis J. Mourits, plechtig ingewijd werd eene nieuwe kerk in Gothischen stijl, die nu weer plaats gemaakt heeft voor het nieuwe, mooie, prachtige gebouw, dat 5 Augustus 1926 plechtig werd ingewijd, onder pastoor deken G. Buisman, een sprekend bewijs van den vruchtbaren arbeid door Franciscus Verburch in 1647 onder zoo moeilijke omstandigheden begonnen.

Tot omstreeks 1920 verhief zich te Poeldijk een mooi historisch gebouw uit het renaissance-tijdperk, het z.g. ''Torenzicht", dat deel uitmaakte van de oude buitenplaats '' Endeldijk", gelegen aan het begin van den Mariendijk te Honselersdijk, dat jammer genoeg, geheel is verdwenen. In zijn: E n d e l d ij k 's H o f d i c h t, bezingt de dichter Willem van der Pot haar als volgt:

Al moet dit huis, zoo laag verschoven en veracht,
't Gering Hondsholredijk aan de oosterzij bepalen,
Daar 't Westeinde met den glans van 't Vorst'lijk slot mag pralen;
Al komt men hier niet in langs marm'ren trappen treën;
Al zyn, al 't geen men ziet, volstrekt noodwendigheën,
En ieder deze hut, met recht, mag ned'rig noemen,
Ze is echter groot; zij kan op achtbare oudheid roemen,
Waarop een heilig Huis des Grooten Konings stond,
Waarvan de muren, die de zold'ring onderschragen,
En duurzaam perkament getuigenissen dragen;
Een eerbied, een ontzag doen mij jier tevens aan,
'k Verbeeld mij hiet te zien het oud-kapittel staan,
En zijn Kanunniken en Godgewijde koren,
Verootmoed in gebeën en lofgezang te hooren.


Uit het register van de goederen en vrijdommen die de Utrechtse Kerk van de Xe eeuw bezeten heeft, weten we dat vóór de IXe eeuw Honselersdijk eene parochiekerk had, die volgens van der Pot op ''Endeldijk'' stond, dat later toehoorde aan de Heeren van Naaldwijk en van hen overging op het Kapittel dier plaats; nog later werd deze gansche bezitting, die zich tot in Poeldijk uitstrekte, eigendom van de Abdij van Loosduinen en daarna van de stad Rotterdam, die haar in 1582 overdroeg aan Johan Oldenbarneveld.
Ten einde een gedeelte van den uitkoop der verbeurd verklaarde goederen van den advocaat te bestrijden, liet zijne weduwe in 1624 de bezitting verkoopen. In 1762 werd Willem van der Pot eigenaar van ''Endeldijk'' Niet alleen maakte hij zich verdienstelijk door het bezingen zijner buitenplaats, maar veel meer nog door het graven der gracht, die door de Nieuwe Tuinen loopt, en het doorgraven van den Mariendijk, zoodat het water, dat vroeger langs Honselersdijk staan bleef, thans in den Gantel uitloopt en door het versche Maaswater, dat door de oranjesluis in het Westland komt, voortdurend zuiver wordt gehouden. De uitgestrektheid van ''Endeldijk'' bedroeg 44 á 45 morgen, verdeeld in 16 tuinen, 3 bosschen groot 8 morgen, voorts in grachten, vijvers, het landhuis ''Torenzicht" te Poeldijk, lanen en verdere plantage en weiland. Op 30 Augustus 1787 kwam het burgerlegertje van Delft, onder commando van Mappa, naar Naaldwijk,nam den Baljuw en Schout, Abraham Douglas, gevangen en hield hem gedurende eenige dagen op ''Endeldijk'' opgesloten. Het gevolg daarvan was, dat toen de volgende maand Willem V in zijne waardigheid hersteld was, de zegevierende partij deze buitenplaats in een ruïne veranderde en er van de huizinge weinig meer dan de muren overbleef. Torenzicht, dat zich op ruim een kwartier afstand bevond,werd niet bezocht en bleef gespaard.


Zooals we zeiden behoorde het tot ,,Endeldijk" en is eigendom geweest van Johan Oldenbarneveld.
Onjuist is echter het verhaal, dat het door den Raadpensionaris bewoond is geweest. Omringd van bosschen diende het enkel tot rustoord voor de jagers die in den omtrek ter jacht waren. Voor woonhuis was het te klein, want het bestond slechts uit eene groote kamer, met een klein bijgebouwtje, de keuken, de gewelfde kelders en den toren van waar men een eenig overzicht had over het geheele Westland en verre daarbuiten.
Inwendig was het gebouw vrijwel onveranderd gebleven en in goeden staat, maar uiwendig was het zeer
vervallen; daarenboven had men het zorgvuldig verborgen achter eene tuinderswoning, zoodat het van den weg nog slecht zichtbaar was en wie met het bestaan van het gebouw onbekend was, kon het best ongemerktvoorbijgaan.
Meer dan eens deden zich liefhebbers voor om het gebouw te koopen en zouden het dan in zijn ouden
toestand hebben hersteld. De hooge koopsom, die er voor werd gevraagd en de buitengewone herstellingskosten deden telkens de onderhandelingen afspringen. Intusschen kwam Torenzicht meer en meer in verval en moest, jammer genoeg, worden afgebroken.

Evenals in al de Westlandsche gemeenten bestond vroeger te Poeldijk eene Rederijkerskamer: d e T e r w e b l o e m, onder zinspreuk: door liefde bloeyende. Het jaar van oprichting is onbekend en de eenige bijzonderheid uit haren levensloop, die we mochten ontdekken is, dat ze op 28 October 1705 gevolg gaf aan de uitnoodiging van den kastelein-dichter Pieter van Leeuwenschilt, van Schiedam, om in gemelde stad deel te nemen aan een door hem gegeven Rederijkersfeest, waarover onder Monster een en ander is te vinden. Zoover was de rederijkerskunst toen gedaald, dat niet de kamers maar de Kasteleins prijsvragen uitschreven, die, om maar veel deelnemers te lokken, vrij drinken verzekerden.
Nu hadden in al de plaatsen van het Westland de kasteleins de Rederijkers in het strijdperk opgeroepen.
Poeldijk kon niet achterblijven en eene prijsvraag werd verzonden, die in 1707 op Kermisdag moedt worden beantwoord. Welke vraag gesteld was, welke prijzen uitgeloofd waren, welke kamers optraden, weten we niet; alle bijzonderheden ontbreken, maar het is buiten twijfel, dat het er even lichtzinnig toeging als overal elders. Van veel beteekenis is dus hoogstwaarschijnlijk deze Kamer niet geweest en
hare verdwijning geeft dan ook geen aanleiding om er over te treuren.