Hoofdstuk X

 

Schippers

In de loop der jaren hebben schippers hun vak zo belangrijk weten te maken, dat zij mede aan de basis hebben gestaan van de ontwikkeling van het dorp. Vanaf de vroegste tijden zijn de schippers onmisbaar geweest. Zij brachten levensmiddelen, bouwstoffen etc. binnen handbereik en verzorgden het transport van de tuinbouwproducten naar de consument. Aanvankelijk met trek-, zeil- en duwschuiten, later met een motorschuit. Veel Poeldijkse schippers beijverden zich in de vroegere jaren als, zand-, kolen, mest- en beurtschipper. Men kende ook baggerlieden, die bovendien in de zomer meewerkten in de tuin. In de zomermaanden waren er schippers die kroos visten, een klein waterplantje, dat in de zomer welig tierde in de Westlandse sloten. Het werd gebruikt voor groenbemesting van het land. Het schippersvak bezorgde in die tijd aan vele hardwerkende Poeldijkers een bestaan. Dat 95 % van de Poeldijkse tuinen wat het transport betrof, afhankelijk waren van het water was beslist geen probleem. Men wist eenvoudig niet beter en had bovendien geen andere mogelijkheid. Als kind heb ik vele malen gezien, dat een bruidspaar maar ook een stoffelijk overschot per schuit naar de kerk gevaren werd, omdat het Gantelpad te smal was.

De zandschippers vervoerden bijna allen in eigen beheer. Het waren, wat men tegenwoordig noemt, kleine zelfstandigen. Je huurde een schuit bij de scheepmaker, kocht een kruiwagen en een panschop en men had een eigen bedrijf. Grote investeringen waren daarvoor niet nodig, Het zandvaren was een zwaar werk en de opbrengst was centenwerk. De prijs die de zandschippers voor het zand moesten betalen bedroeg 15 a 20 cent per m3. Het verschil tussen aan-en verkoop was hun loon. In minder drukke tijden betrokken de tuinders het zand ook wel rechtstreeks van de duinbaas en zorgden voor eigen vervoer.
Door gebrek aan cultuurgrond in de 19e eeuw werd het woeste duinlandschap, in Loosduinen en Monster dat in handen van grootgrondbezitters was, en uitsluitend diende voor de jachtgenoegens van de ‘hoge heren’, afgegraven en in cultuur gebracht. Het duinzand werd ook gebruikt voor de ont-sluiting en bebouwing van Den Haag. De zandschippers voeren veel zand naar het Westland waar het gebruikt werd om de laaggelegen percelen wat op te hogen, gewoonlijk langs de Gantel.
Onder de zandschippers huisde nogal wat ruw volk dat duidelijk verschilde van de mentaliteit van de andere schippers. Onenigheden bij vermeende voorrang bij bruggen of passeermanoeuvres leidden herhaaldelijk tot flinke ruzies. De vaargewoonte was daar mede debet aan. De schipper duwde vanaf de walkant met de weegboom de schuit voort. De schipper noemde deze manier van varen ‘wegen’.

Mestschippers vervoerden twee soorten mest. Ten eerste, de ruige mest. Dit zijn uitwerpselen van vee vermengd met stro. Deze ruige mest werd gebruikt om de grond luchtiger en humusrijker te ma-ken. Ten tweede, uitwerpselen van het vee maar nu naturel; deze vloeibare mest werd gebruikt als natuurlijke plantenvoeding.
Veel van dit laatste product werd gehaald in Schiedam, vandaar dat deze mest de naam Schiedammer kreeg. Voor de voeding van het vee in Schiedam werd gebruik gemaakt van het afvalproduct van de talloze jeneverstokerijen, de zogenaamde ‘spoeling’. Deze spoeling was het residu van graan en an-dere grondstoffen dat bij het stoken van alcohol vrijkwam.
Deze spoeling vond in zeer grote hoeveelheden haar weg naar de boeren in de omtrek die het ge-bruikten als voeding voor het vee. De structuur van het product en het hoge voedingsniveau waren er de oorzaak van dat er grote hoeveelheden mest werden geproduceerd, waarvoor vooral de intensieve tuinbouw grote belangstelling had. In Poeldijk waren er verschillende beroepsmestschippers, o.a. Le-lieveld, Zuidervliet, Duindam. De aankomst van een schuit Schiedammer ging meestal met enige ce-remonie gepaard. De luiken gingen open en er werd dan eens flink geroerd met de schepemmer. Vervolgens werd de lucht opgesnoven om de ‘krach’ te bepalen en uit de verhalen van de eertijds bekende mestschipper Piet Lelieveld, werd er ook voorzichtig met de vinger geproefd. Men raakte zo vertrouwd met het product dat het niets ‘vies’ in zich had. De mestschuiten hadden doorgaans te veel diepgang om, vooral bij laag water, de tuindersloten binnen te varen. Bij de toegangsbruggen lagen dan de schippers in het grote water, de Gantel of de Nieuwevaart langs de Nieuweweg zogenaamd te ‘vletten’. Hierbij werd de veilingschuit aan de zijkant van de mestschuit gebonden en met de sche-pemmer, een emmer aan een lange stok, werd de mest overgeschept. Hierin zat een zeker ritme: twee tegenover elkaar staande personen schepten de mest in een vloeiende beweging, de stok van de sche-pemmer op hun knie, over in de schuit. Het was een imposant gezicht de schippers hiermee bezig te zien. Lag de schipper eenmaal bij de klant voor de losplaats dan werd de schiedammermest in een kruiwagen geschept en het land opgereden. Na het lossen werd er door de tuinder meestal een borrel-tje geschonken. De basis voor de nieuwe teelt was gelegd.

Vanaf het begin van de 20e eeuw is men begonnen met het kunstmatig verwarmen van de teelten on-der glas. Dit gebeurde met ketels die gestookt werden met vette steenkolen of cokes. Deze kolen kwamen per wagon Poeldijk binnen, aan de tramremise aan de Nieuweweg langs het water. De ko-lenschipper had meestal een platte schuit van ± 10 ton inhoud waarmee de kolen bij de tuin werden aangevoerd. Het kwam voor dat de afstand van goederenwagon tot tuin minder dan 1000 meter was. Toch moesten de kolen eerst in de schuiten worden gelost en naar de tuin gevaren, omdat de tuin niet per auto bereikbaar was. ‘s Morgens voor dag en dauw gingen de kolenschippers naar het wissel, aan de Nieuweweg. Daar stonden dan veel wagons, vol met kolen. Die kolen werden overgeladen in de schuiten en al heel vroeg in de morgen lag de volle kolenschuit dan aan de slootkant bij de tuinder. Een houten loopplank, van 7 a 8 meter lang en dertig centimeter breed, maakte verbinding tussen schuit en de wal. Als de tuinder met zijn personeel s’ morgens op het bedrijf arriveerde, kon men di-rect met het lossen van de kolen beginnen. De kolenschippers hadden altijd haast, ze wilden dezelfde dag nog een tweede vracht doen. In Poeldijk waren velen kolenschippers. Enkele bekende kolen-schippers uit die tijd waren onder anderen Moen, Brabander, Woning, Greeve en niet te vergeten Alblas, Vis en Zaat uit Kwintsheul, die in ons dorp ook hun vaste klanten hadden.

  

Een prentje met een boekdeel geschiedenis. Jac de Zeeuw, een markant figuur uit het Poeldijkse verleden. De prachtige kleding, het kleine veilingschuitje met de producten in nostalgischs fust verpakt, klaar om bij de net opgerichte veiling te koop aan te bieden.

De ijzeren tuinderschuit die omstreeks 1880 in de plaats kwam van het houten praampje werd aan het einde van de negentiende eeuw ingezet om de producten van de tuin naar de veiling te vervoeren. De tuinarbeider die deze naar de veiling bracht werd veilingschipper genoemd. Het was de verantwoording van de schipper dat de producten in de kisten het vereiste gewicht hadden. Onderwicht werd, in tegenstelling tot bovenwicht, op de veiling niet op prijs gesteld. Ook de manier van laden was belangrijk. De onderste producten moesten van dezelfde kwaliteit zijn als de bovenste. Daarom wilde de veilingschipper, na het sorteren van de producten, zelf de schuit laden. Met de volle kisten hoog opgestapeld begon hij vervolgens aan de inspannende tocht naar de veiling.



De trotse Gerrit van der Arend aan de Vredebestlaan bij zijn prachtige geladen schuit met de heerlij-ke witte tafeldruif ‘Golden Champion’. Een ware delicatesse vanwege de zoete smaak Zoon Aad als veilingschipper aan de vaarstok.



Omdat al het vervoer in die dagen per schuit ging, was het op de Poeldijkse wateren op veilingdagen een drukte van belang. Bij zon, regen en wind werden de producten per schuit, door mankracht voortgeduwd. Vaak wegend, met vaarboom vanaf de kade.

              

                              Deze veilingschuit geladen met blauwe druiven werd al wegend voortgeduwd.

Of schuivend, met de vaarstok de schuit voortduwen. Dit gebeurde door van voor naar achter te lo-pen, terwijl de vaarstok op de bodem van de sloot stond. Het was een sprookje om te zien want iede-re veilingschipper probeerde zijn producten zo mooi mogelijk op de schuit uit te stallen voor verkoop aan de heren kooplieden. Omdat veel veilingschippers tegelijk bij de veiling aankwamen, was het één of meer uren wachten in de veilinghaven voordat de schuit onder de veilingklok doormocht, geen uitzondering. Na het veilen werden de producten bij de kooplui afgeleverd. Dit ging ook vaak ge-paard met een flinke wachttijd. Vervolgens ging hij naar de fustloods om leeg fusten op te halen. Eenmaal terug op de tuinderij moest de veilingschuit worden ontruimd en de lege kisten voor de vol-gende dag worden klaargezet. Hoe zwaar het werk ook was, vele tuinarbeiders gingen in die dagen graag naar de veiling. Het gaf ze wat afleiding en als ze eenmaal van de tuin weggingen, waren ze een beetje eigen baas. De hele dag op de tuinderij was toch eentonig. De veilingschipper was zo trots als een pauw als hij met een goede prijs van de veiling op de tuin terug kwam.

Beurtschippers waren schippers die de producten voor de koopman naar de omliggende steden ver-voerden. In het prille begin ging dat met de trek-, zeil- en duwschuit. Pas in het begin van de twintig-ste eeuw kwamen de motorboten in zwang. De beurtschipper was een expert in het laden van de ver-schillende soorten mandjes, kistjes en zakken. Het was vroeger een chaos wat het fust betrof. Men moest een vakman zijn om dit alles behoorlijk te plaatsen. Het was een imposant gezicht de volgela-den Westlanders, die nog maar net onder de bruggen door konden; te zien passeren met de mooie Westlandse producten richting de grote stad.
Het waren de bekende Poeldijkers Klaas Veerkamp en zijn zonen die de Haagse schuit voeren. Dat waren producten die gekocht waren aan de Poeldijkse groenteveiling met bestemming Den Haag. Het was schipper Verdouw die op Leiden voer en de gebroeders Piet en Klaas Olierook die Amster-dam voor hun rekening namen. Schipper Meier voer richting Rotterdam.

                

Schipper Klaas Olierook bracht met zijn motorschuit, de twee gebroeders, Poeldijks groenten en fruit voor de koopman naar Amsterdam. Mede opvarend zijn de twee zoons Koos en Kees.


Als wij ‘s morgens als kind op bed lagen, speelden we vaak een spel: om de naam van de motorboten te raden, die voorbij voeren. Wij luisterden dan naar het geluid van de motoren en raadden dan welke schipper er in de Gantel voorbij voer. Het was dan bijvoorbeeld Klaas Olierook met de ‘Twee Ge-broeders’ of ‘Alie’ van Piet Olierhoek, ‘De Vrouw Geertruida’ van Tinus Tol, ‘Maria Petronella’ van Piet Zuiderwijk, en ‘Maria’ van Henk van der Ven en tot slot de ‘Zeven Gebroeders’ van de schipper Klaas Veerkamp uit Poeldijk.



De twee gebroeders: nu richting Poeldijk, met als retour vracht leeg fust.

 

Een schipper van bouwmateriaal was Willem v.d. Valk die zijn opslagplaats had aan het einde van de Slachthuiskade. Hij hield het schippersvak al snel voor gezien en ging over in de handel van bouwmaterialen. Hij overleed echter al op 41-jarige leeftijd. De handel in bouwmaterialen werd voortgezet door Willem de Zeeuw. Ook was er in die dagen de bekende schipper Piet Dijkshoorn uit Honselersdijk. Hij zorgde met zijn motorschuit ‘Altijd Zorg’ voor het vervoer van de bouwmaterialen die nodig waren voor de bouw van de vele afgelegen tuinderhuizen. Bakstenen, dakpannen, tegels, buizen, metselzand, grind en cement werden via het water bij de steenfabrieken langs de Waal en de Rijn gehaald. Bij de kistenfabriek Scheer (op het kruispunt Nieuweweg-Monsterseweg) lag altijd wel een motorschuit geladen met hout dat gelost werd, afkomstig uit Zaandam. Verschillende Westlandse schuiten van toen varen nu, anno 2000, weer als toeristische attractie mee in het Westland Corso.

 

 


 

               

Index Boek        Volgende hoofdstuk