Hoofdstuk
XI
Poeldijk in de 19e eeuw
Poeldijk in de 19e eeuw
Oude prenten laten zien dat Poeldijk in het midden van de 19e eeuw een klein,
bekoorlijk plaatsje was. Aan de eerste voorwaarden, om een mooie plekje te zijn,
kon Poeldijk namelijk met bomen en veel water voldoen. Vooral het riviertje de
Gantel, omgeven door veel bomen, was en is een oord van zeldzame schoonheid. Het
centrum van Poeldijk was klein met langs het water wat woonbuurten. In de ruimte
er omheen rook het in de zomer naar gras en hooi. Het vergezicht werd gebroken
door verschillende boomhoeken. Boomgaarden met hoge appelen,- peren- en
pruimenbomen. Van de appelsoorten was de Codlin Keswick als moessoort zeer
geliefd. Daarnaast de Westlandse Bellefleur, Goudrenet, Kanteloos, Guldeling en
de Appel van Zijl. De laatste appelsoort was een zaailing van Westlandse
oorsprong. De meest geteelde peersoorten waren Saffraan, Trosjes en de Gieser
Wildemanen. De kleiperen werden langs de sloten aangetroffen. De geteelde
pruimsoorten waren de Tonneboer, Renswouder, Reine Victoria en de Mirabel. Onder
de fruitbomen werden rode en witte aalbessen en kruisbessen gekweekt. De
boomhoeken werden tegen de wind beschermd door metershoge elzen- windsingels
waarlangs gewoonlijk een greppel liep.
De tuinbouw ontwikkelde zich het eerst langs de Gantel en de daarop aansluitende
wateren. De sloten die de tuinen doorsneden, waren langs de kanten vaak beplant
met vruchtbomen. Alle aan- en afvoer ging via het water.
Het Poeldijkse dorpsleven werd bepaald door verschillende kleine zelfstandigen.
Zo was er de klompenboer, stoelenmaker, scheepsmaker, veehandelaar, koperslager,
barbier, hoefsmid, stoker, rietdekker, wagenmaker, petroleumboer, mandenmaker,
stalhouder, voerman, kolenboer en kleermaker. Veel van deze beroepen werden in
en om het huis bedreven, wat een dorpsgebondenheid gaf.
Poeldijk was in die jaren een klein dorpje met een samenleving die meer was dan
een verzameling individuen, die als los zand aan elkaar hingen en toevallig in
hetzelfde gebied woonden. Ze berustte op een dieper gevoelde saamhorigheid met
een behoefte aan gemeenschap met elkaar. Poeldijk, met wat straten en zijn grote
achtergebied. De vele smalle onverharde tuinderspaadjes, gelegen langs water met
zijn vele bruggetjes, waarbij de boogbrug wel de meest voorkomende was. Deze,
voor de fiets vaak steile brug, is gekozen omdat ook een wat hoger geladen
schuit er gemakkelijk onderdoor kon varen. Dit was belangrijk omdat het
transport, zowel intern als extern, van de tuin naar de veiling over water
plaatsvond. Ook waren er tuinderspaadjes waar een kwakeltje over de vaarsloot
lag. Dit kwakeltje bestond uit twee schuine opritten, rustend op jukken, met
daar tussen één zware loopplank van dertig centimeter breed. Deze werd bij het
doorvaren van een geladen schuit hoog opgetild, zodat een geladen schuit kon
doorvaren. Zo’n brug had aan één zijde een houten leuning.
Ook heel fraai was de draaiplank, gelegen over een brede sloot of vaart, die
benut werd voor de scheepvaart, al was het maar een veilingschuit. Een
draaiplank had twee bruggenhoofden, een kleine aan de wegkant en een lange,
evenwijdige aan de overkant, bij het huis.

De bruidegom Koos van Marrewijk begon zijn huwelijkspad, bij het verlaten van de
ouderlijke woning, over zo’n draaiplank.
Op de laatste draaide de plank met de enkele houten leuning. Om de lange plank
in evenwicht te houden bij het open of dicht duwen, bevond zich op het korte
einde een kist met soms fraai geprofileerd achterschot, gevuld met stenen als
contragewicht.
Op het luiden van een bel, het blazen op een fluit of toeter of het zo maar
roepen, werd de plank binnengehaald. Aan de wegkant lag meestal een zeer lange
stok met aan het einde een beugel om de draaiplank naar zich toe te halen. Daar
komt nog bij dat de vaak moeilijk begaanbare paadjes ‘s nachts niet verlicht dus
roetdonker waren. Om via de Poeldijkse Vaart over het water van de Gantel op het
Gantelpad te komen moest men over de één meter brede, steile en hoge brug die de
‘Hoge-kwakel’ werd genoemd.
Door het dorp trokken geregeld reizende handwerkslieden uit de omliggende
steden. Zo kwamen loodgieters, vaklieden, die het tinnen eetgerei repareerden,
zagenslijpers, potten- en pannenverkopers met een handkar langs de deur en boden
hun diensten aan. Zo ook de marskramer (kistjesmannetje) die met een kist met
artikelen voor zijn buik langs de huizen liep om zijn waren te slijten. Hij
verkocht knopen, garen, band, scharen, messen, en kammen. Zelfs de lorrenboer
trok met een zak op de rug langs de huizen om vodden op te halen. Ook de
schillenboer was niet vreemd in het dorpsbeeld. Daarbij voegden zich dan nog de
handelaren in turf, die per woonschuit hun boterham verdienden. Al deze personen
waren veel geziene en onmisbare figuren in de samenleving van toen.
Ook werd Poeldijk in die jaren bezocht door bedelaars en landlopers. Enerzijds
voortgekomen uit de slechte economische omstandigheden met gebrek aan voldoende
werk en anderzijds bestaande uit beroepsbedelaars, zoals deze overal ter wereld
voorkomen. Om landlopers en bedelaars uit andere gewesten te weren, werden zeer
strenge straffen voorgeschreven: bijvoorbeeld driemaal opgepakt voor bedelarij
betekende de doodstraf . Bedelaars waren meestal pokdalige mannetjes, die erg
onzeker liepen. Ze hadden drankoogjes, een verkreukelde hoed op en een te grote
jas die opbolde van de fles spiritus (niet voor consumptiegeschikte alcohol) in
de binnenzak. Zij sliepen meestal in een bedelaarsschuurtje. Dat was een
schuurtje zonder ramen en meubels. Ook geen toilet of iets om te wassen. Van
hygiëne hadden ze geen weet. Zij sliepen in wat los stro met enkele versleten
koedekken. Er waren tal van figuren die van deze slaapgelegenheid gebruik
maakten. Sociale voorzieningen waren in die dagen immers niet bij wet geregeld.
De zeer lage prijs van de alcohol was voor velen aanleiding tot overmatig
drankgebruik. Hierin kwam verandering toen alcohol met accijns werd belast. De
stijgende welvaart heeft zich hier ongetwijfeld mede doen gelden. Ter
completering van de bonte menigte die in die dagen onze straten en paden
bevolkte, moet nog worden opgemerkt dat er onvoldoende inrichtingen bestonden om
alle geesteszieken en ook tijdelijk krankzinnigen op te kunnen nemen.
Met uitzondering van een kapel waren alle huizen in Poeldijk tot het einde van
de veertiende eeuw van hout gebouwd en gedekt met riet. Voegen we daar aan toe,
dat in die tijd schoorstenen onbekend waren. De stookplaats midden in het
woonvertrek was aangelegd, zomaar op de vloer, dan wordt het u duidelijk dat
brand vaak voorkwam. Het brandblusmateriaal was in die dagen zeer primitief. Men
kende niet anders dan brandhaken, bijlen, ladders, emmers en brandzeilen, die
enkele burgers in bewaring hadden. Kwam iemand tot de ontdekking dat er in zijn
huis brand was uitgebroken, dan was hij op boete verplicht de straat op te
snellen en luidkeels te roepen: Brand, brand! Een gebruik dat eeuwenlang bleef
bestaan.
Dadelijk werd de brandklok geluid en door de klapperman ( iemand die een
herhaald klapperend geluid maakt) de plaats van onheil gemeld. De vrouwen
ontstoken, door gebrek aan straatverlichting, voor elk huis bij brand in de
nacht een lantaren met kaars. Terwijl de mannen met een emmer naar de brand
snelden.
Vanaf het punt waar water werd verkregen stonden twee rijen mannen met de
gezichten naar elkaar gekeerd. Men gaf van hand tot hand de gevulde emmers aan
hen die op de ladders stonden en het water over de brand gooiden. Eeuwen later
pas werd de zuigperspomp ontdekt.
Ik wil u even laten genieten, hoe triest een brand ook is, hoe het brandblussen
in het jaar 1908 in Poeldijk is vergaan. Er brak brand uit aan de Voorstraat, in
de huizen en de winkels van de familie C. Luiten en Lambertus Kruijk. Het was
ongeveer halféén in de middag van de 31ste augustus. De verjaardag van de
koningin. Oorzaak van de brand was een strozak (waarop men vroeger sliep), die
tijdens het drogen tegen de kookkachel aan gegleden was. De vrijwillige
brandweer die snel ter plaatse was, had een brandspuit die men met de hand moest
bedienen. Men probeerde eerst water uit de sloot aan de overkant van de
Voorstraat te pompen. Omdat de pomp geruime tijd niet was gebruikt, lukte het
maar gedeeltelijk en moest de vlammenzee met een klein straaltje bestreden
worden. De beide winkels stonden snel in lichter laaie. Heel Poeldijk was op de
been en er werd winkelwaar gestolen. De grote jongens en mannen knoopten hun
broekriem los en leegden er de kistjes sigaren in. Terwijl de flessen advocaat
verdwenen onder hun jasje. De veldwachter maakte een einde aan het roven. Onder
de vrijwillige brandweermannen bevonden zich Phillip Heppe en Jan Mooiman. Zij
hadden een fles jenever uit de brand gered. Deze fles meegenomen naar het dak
van het aangrenzende huis van Heuchemer, om van boven af dit pand tegen de
vlammenzee te beschermen. Men moest het tweetal later van het dak afhalen omdat
ze zo goed als laveloos waren. Anderen hadden in de kelder bij Heuchemer een
stuk pas gekookt pekelvlees tot het bot afgekloven.
Voor de eerste straatverlichting in Poeldijk gaan we terug naar het begin van de
negentiende eeuw. Op enkele punten in het centrum van Poeldijk werd van links
naar rechts van de Voorstraat een touw gespannen en daaraan bengelde een
olielantaarn. Alleen bij donkere maan werd door een lampenontsteker een olielamp
aangestoken en ‘s morgens weer gedoofd. Dit oorspronkelijke en zeer primitieve
licht bleef bestaan tot rond 1870. In die dagen is men de straat gaan verlichten
door middel van petroleumlampen, wat als een werkelijk verbetering werd
beschouwd. Ene J. Veerkamp was rond 1880 in Poeldijk lantaarnaansteker. Het
heeft nog tot rond 1900 geduurd, voordat Poeldijk bij nacht, al was het in ‘t
begin wat schaars, de straten elektrisch verlicht werden.
Er stonden in Poeldijk, tot aan de twintigste eeuw, tijdens de wintermaanden nog
grote stukken land onder water. Gedurende de strenge winters was het mogelijk om
aan de Polderlaan (nu Verburchlaan geheten) de schaatsen onder te binden en
regelrecht naar Den Haag te rijden. De schaatsers moesten dan alleen over de
dijkjes van de Wennetjessloot, Lozerlaan en de Leyweg heen stappen. Later, toen
eenmaal het stoomgemaal zijn intrede deed, hield een machine de polder voorgoed
droog. Voor Poeldijk stond zo’n watergemaal aan het Wenpad. Dit werd verzorgd
door de families Lunenburg en de Brabander. Als laatste machinist woonde en
werkte er tot in het midden van de 20e eeuw de familie C. v.d. Arend. Bedenk
daarbij dat in het Poeldijkse straatbeeld paard en wagen het ‘snelverkeer’
vormde. Ook was de tilbury er te zien, waarmee de trotse boer als een vorst met
zijn eega en mooiste paard naar de kerk en markt toog.

Het waren de paarden en honden die tot ver in de twintigste eeuw de kar moesten
trekken.
De Poeldijkers leefden in de 19e eeuw nog in een betrekkelijk isolement. Het
dorp was hun leefwereld, daar werd gewoond en gewerkt. Het straatbeeld werd
bepaald door met paarden bespannen wagens en de hondenkar. Wilde men rond 1800
van Poeldijk naar Wateringen of terugreizen dan was er een hobbelige zandweg die
na zware regen veranderde in een ware modderpoel. De mensen, zeer eenvoudig in
hun levenswijze, gewend aan ontberingen, wisten zich wel te behelpen en ergerden
zich niet aan de slechte wegen. Op klompen zag men minder tegen modderige wegen
op en hoefde men ook niet bang te zijn voor natte voeten. In 1839 werd de weg
naar Wateringen met puin verhard. Vanaf 13 mei van dat jaar moest men op de
grens van Poeldijk-Wateringen tolgeld betalen om de kosten van de verharding van
de weg te verhalen.

Bij het passeren van de tolboom tussen Poeldijk en Wateringen moest er vanaf
1839 tolgeld worden betaald. Van auto’s was toen nog geen sprake.
Reizen van Poeldijk naar Den Haag ging al wat gemakkelijker. In 1838 was het
Geert de Wilde, voerman, wonende te Monster,( thans bekend als het
touringcarbedrijf,) die met paard en wagen (diligence) van 12 zitplaatsen ‘s
morgens personen vervoerde van Monster via Poeldijk naar Den Haag en ‘s middags
terug. Dit vervoer was voor de beter gesitueerden. De prijs was voor de gewone
man te hoog, deze ging dan lopen of met de trekschuit.
De trekschuit was een boot van ongeveer tien meter lang waar wel 30 mensen in
konden. De schuit, van boven afgedekt tegen zon en regen en aan beide zijden van
raampjes voorzien om de passagiers het nodige licht te bezorgen, werd getrokken
door een paard dat op het jaagpad liep. Op de rug van het dier zat een jager
voor het bepalen van snelheid en richting. Ze voeren ‘s morgens van Poeldijk
naar het Spui in Den Haag en ‘s middags terug. Dat zo’n reisje, voor die tijd,
nogal wat tijd kostte, lag voor de hand. En het was in de schuit verre van
comfortabel. De ruimte kon slechts zeer beperkt zijn van wege de bovenbouw, om
onder de talrijke bruggen door te kunnen komen. Langs de wanden in het ruim
waren houten bankjes aangebracht, waarop de passagiers konden zitten. Wie jong
en sterk was, maakte geen gebruik van deze trekschuit, maar stapte er op los om
in Den Haag te komen. De trekschuit heeft tot ver in de negentiende eeuw, het
vervoer beheerst. Dit romantische vervoer via water, dat allesbehalve de
landelijke kalmte stoorde, werd vele jaren geëxploiteerd door de Poel-dijkse
familie De Bruin.
Op 1 april 1883 kreeg de trekschuit concurrentie. De Westlandse Stoomtram
Maatschappij kwam met een verbinding van den Haag (Lijnbaan) via Loosduinen naar
Poeldijk. Daar splitste deze zich in een lijn naar Monster en een lijn naar
Naaldwijk. Men moet zich echter geen al te overdreven voorstelling maken van die
eerste tram. Dit blijkt op humoristische wijze uit het feit, dat de Westlanders
van de afkorting W.S.M.’Wij Sukkelen Maar’ maakten.

Rond 1900 het station met stoomtram aan de Nieuweweg in Poeldijk.
Het reizen met de tram ging echter niet spontaan; men gaf zich niet zomaar aan
dat vehikel over! Deze terughoudendheid werd veroorzaakt door de vrees voor het
risico, dat men liep, wanneer men ermee reisde. Bovendien moest de reis zakelijk
verantwoord zijn, want het geld was zeer schaars. Al snel heeft de tram de
trekschuit verdreven en verdween er een mooi stukje romantiek uit de omgeving.

In 1904 met de stoomtram van Poeldijk naar Den Haag.
Velen zullen nu zeggen je kon de fiets
toch pakken, maar daarvoor moest men wachten tot 1880. De fiets is met de
snelheid van een slak ontwikkeld. De ontwikkelingsgeschiedenis van de fiets
begon met de loopfiets in 1818, aanvankelijk geheel uit hout vervaardigd en kon
alleen rechtuit rijden. Het heeft tot 1864 geduurd voordat de loopfiets
vervangen werd door een hoogwieler, de fiets met een zeer groot voorwiel en een
klein achterwiel. Dit type, waarbij de berijder boven het voorwiel zat, is tot
omstreeks 1880 bij de betaalkrachtigen zeer populair geweest. Voor hen waren er
fietsscholen in de stad om de fietsvaardigheid onder de knie te krijgen. Weer
gingen er jaren voorbij, tot 1885, voordat de Engelsman J. Starley met een
driehoekig frame kwam, waarvan gebruik gemaakt werd van een ketting op het
achterwiel, terwijl een veearts John Boyd Dunlop in 1888 patent kreeg op de
luchtband. Het principe van deze fiets is tot op vandaag gehandhaafd gebleven en
heeft rond 1900 de markt in een snel tempo veroverd. Volgens Lambertus Kruijk,
en hij kon het weten, was het dokter Weitjens die als één van de eerste
Poeldijkers zo’n fiets had. In het jaar 1952 verscheen de eerste bromfiets, dat
wil zeggen een damesfiets, met een eivormig hulpmotortje. Ik herinner me nog
heel goed hoe trots een oom van mij, kapelaan van Zijl, was. Met een gevoel van
eigenwaarde kwam hij het snelle vehikel, 25 km per uur, bij ons thuis, aan de
Gantel, demonstreren.
In 1900 kwam Poeldijk langzamerhand in aanraking met het moderne verkeer. De
straten en wegen in Poeldijk werden vooral gebruikt door paard en wagen, de
hand- en hondenkar en niet te vergeten de transportfiets met een grote mand
voorop waarmee de slager en kruidenier hun waren bij de mensen thuis brachten.
Dit laatste gebeurde ook nog tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De
mensen liepen veel. Verhoogde trottoirs waren er in Poeldijk niet. De straat was
een heerlijk speelterrein voor de kinderen. Onderscheid tussen rijbaan en
wandelpad werd gemaakt door ze met verschillende steensoorten te bestraten. Nu,
honderd jaar later, is de situatie in het dorp drastisch veranderd. Om de Jan
Barendselaan als voorbeeld te nemen; de laan is het domein geworden van het
verkeer waar fietsers als een bedreigde diersoort voortdurend op de vlucht zijn.
De Nederlandse televisie begon zijn allereerste uitzending op twee oktober 1951.
De staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, J.M.L.Th Cals uitte
daarin zijn bezorgdheid met de on-heilspellende woorden: “Na de massa-arbeid is
het de massarecreatie die de menselijke persoonlijkheid belaagt (…), die elke
eigen inspanning op geestelijk en cultureel gebied dreigt te doen plaatsmaken
voor passiviteit en grauwe vervlakking”. Nu vijftig jaar later denkt ieder daar
nog zeer genuanceerd over.
