Hoofdstuk
XII
Poeldijk in de 19e eeuw
De Winterzorg
Eén van de eerste levensbehoeften is voedsel en kleding. Als er geld is en een
winkel met volle schappen, met daarbij gas en elektriciteit, dan zijn er geen
problemen om de winter zorgeloos door te komen.
In de vroegere eeuwen was dit voor velen een wens en was men overgeleverd aan
zelfzorg. Winter-zorg noemde men dat. Velen hadden een volkstuin waar men
aardappelen en groenten teelde. Bij de gewone burger en bijna op iedere
tuinderij stond wel een varkenshok achter de schuur. Daar werd een varken
vetgemest voor ‘eigen eet’, dat wil zeggen bestemd voor consumptie binnen het
eigen ge-zin of de naaste familie. Mogelijk dat ook de pastoor, dominee en de
dokter in de opbrengst deelden. In de schuur stond dan een hok als nachtverblijf
en buiten de ‘loop’. Naast de loop lag de mesthoop, want varkens werden niet
alleen gehouden als voedselbron, ook om het vele afval een bestemming te geven.
De uitwerpselen van de dieren werden gebruikt voor bodembemesting. Deze mest
werkt op humusarme grond structuurverbeterend.
Tot ver in de twintigste eeuw werden deze varkens thuis geslacht. Het thuis
slachten vond je als kind heel spannend, terwijl het voor de ouders drukke dagen
waren met een geborgen gevoel, een gevoel van; ‘zo komt Jan splinter door de
winter’. Bij de schrijver thuis, een gezin met 12 kinderen, slachtte Jaap
Middelburg, een melkboer, wel tweemaal in een winterseizoen ‘n zwaar varken (van
zo onge-veer 400 pond). Het varken werd dan in het hok doodgestoken en het bloed
opgevangen. Dit bloed werd flink geroerd, er werd wat zout aan toegevoegd en in
een koude kelder bewaard, waar men er enkele dagen later veel stukjes spek aan
toevoegde. Met de schoongemaakte darmen werd het dan tot bloedworst verwerkt. De
hammen en zijden van het geslachte dier werden gerookt in de rookkast bij Kees
Overvliet de dorpsslager. Deze werd samen met de bloedworst op de slaapzolder te
drogen gehangen en voor de winter bewaard. De varkenskop kookte men net zo lang
tot dat het vlees er van afviel. Dit vlees werd verwerkt tot kopkaas of zure
zult, en werd gebruikt voor broodbeleg. De overi-ge stukken, vet en mager spek,
werden gezouten en in een stenen of houten ton verduurzaamd. Deze werd bewaard
naast de tonnetjes met zoute bonen, zuurkool, gedroogde appeltjes, peren en de
vele soorten groenten in wekpotten. Daarbij kwam nog de wintervoorraad
aardappelen, kolen en brandhout. Als deze werkzaamheden goed waren volbracht,
was men gerust en ging men met een tevreden gevoel de winter tegemoet.
Armen en bejaardenzorg
In de vroegere jaren waren er in het gehele land, dus ook in Poeldijk, arme
mensen die van de gemeenschap afhankelijk waren. Zij riepen niet: recht op
arbeid en geld, maar smeekten om een aalmoes. De rijken waren voor hen geen
vijanden, maar goede mensen, weldoeners op wier beurs zij een beroep mochten
doen. Aangenomen mag worden, dat ca. 10% van de mensen afhankelijk was van de
aalmoes van anderen. Waren deze mensen bejaard dan was het leven vaak ten hemel
schreiend. Langs de Poeldijkse kerk waar wat kleine ambachtelijke bedrijven
waren, liep de Kerkstraat, ofwel Kerkslop, richting de Plaats. Aan de ingang van
het Kerkslop stond een armenhuis . Het was wel wat primitief, maar het is toch
heel wat jaren in gebruik geweest. Daar woonden de bejaarden die niet bij hun
kinderen onderdak konden vinden. Ook wezen uit de parochie werden daar
oorspronkelijk verzorgd, maar later werden deze door het armbestuur uitbesteed
in diverse gestichten onder andere in de Heibloem of Groenensteijn in Den Haag.

Een stukje Voorstraat anno 1900 met de voormalige kerk en St Jozephs gesticht.
Wanneer een getrouwd echtpaar het armenhuis
binnenkwam, mocht het niet meer bij elkaar blijven wonen. Je had een vrouwenzaal
en een mannenzaal, zonder stookgelegenheid. Dit heeft in die dagen veel ergernis
gegeven. Uit eenzaamheid gingen velen naar de herberg, waar ze voor vier cent
een borrel hadden en de hele avond warm konden zitten. Velen zijn in dat
armenhuis in de kou en van eenzaamheid gestorven. Als er een bewoner was
gestorven; werd de dode afgelegd. Men waste de dode, knoopte hem in een laken en
droeg hem zo de smalle trap af om hem te kisten. Het gebeurde wel eens dat de
knoop van het laken losschoot met het gevolg dat de dode in zijn blootje als een
hoopje onder aan de trap lag.
Ook de armenvaders en moeders (de conciërge) waren niet altijd even prettig. Ze
zaten zelf in een goed verwarmde kamer. Zo nu en dan werden er enkelen op het
matje geroepen als ze weer te laat of dronken thuiskwamen. Uiteindelijk werd
door het armbestuur besloten om in Poeldijk een beter en ruimer armenhuis te
bouwen. In het oude bestaande armenhuis woonden daarna nog jaren enkele
ko-lonialen die in Atjeh hadden gevochten. Dit armenhuis werd geheel verbouwd en
er werden twee winkelhuizen van gemaakt. Het armbestuur verhuurde de twee panden
repectievelijk aan de familie Heuchemer en Bruinen. Heuchemer vestigde er een
textielzaak in. In de winkel van Leen Bruine was van alles en nog wat te koop
zoals: stoffen, galanteriën en daarbij een kleermakerij. De schuur van het
armenhuis werd verbouwd tot woning voor de koster van de parochie. De eerste
koster was de heer Leen van Haastert. Zijn opvolger was Damianus van Dijk,
waarna er nog verschillende Van Dijken zijn gevolgd.
In 1893 werd van Johannes Goeijenbier aan de oostzijde van de kerk een stuk
grond gekocht, waarop voor die tijd, een mooi en goed verwarmd bejaardenhuis
werd gebouwd. Het St. Jozefhuis genaamd. Op de zolder van het St Jozefhuis
leefden de arme bejaarde echtparen nog vele jaren gescheiden van elkaar. Terwijl
de goed gesitueerden zich in een eigen woonverblijf voor het leven konden
inkopen.

De gevelsteen van het armen en bejaarden- huis. In de volksmond ‘Gesticht’ genoemd.
Het St. Jozefhuis werd in de jaren 1910, 1924 en 1965
uitgebreid. Het bejaardenhuis groeide uit tot een voor die tijd groot en
degelijk pension voor ouderen. In 1975 werden op de tuin van wethouder M. de
Backer 120 aanleunwoningen gebouwd waar ouderen zelfstandig konden wonen. De
bewoners van deze aanleunwoningen staan in tijd van nood in contact met het
zorgcentrum van de verzorging terwijl er zonodig een maaltijdenvoorziening
aanwezig is. Het St Jozefhuis werd gesloopt en vervangen door een nieuw
zorgcentrum met 75 kamers. Dat nu verder gaat onder de naam ‘Wittebrug’, waar
het voor de ouderen, zelfs in moeilijke dagen, heel goed toeven is. Van een
oorspronkelijk katholiek zorgcentrum groeide het uit tot een tehuis voor alle
gezindten, toegankelijk voor alle ouderen, ongeacht de godsdienstige achtergrond
of levensovertuiging.
Vanaf het einde van de 20e eeuw wordt geprobeerd, met ieders instemming,
ouderenbonden, regering en medici, ouderen zo lang mogelijk met begeleiding
zelfstandig thuis te laten wonen. In de ja-ren 1960 tot 1980 was een gang naar
het bejaardentehuis voor de 65 plussers een normale zaak. Gezond van lijf en
leden zaten de aow-ers in de recreatieruimte te klaverjassen. Dat beeld wordt
steeds zeldzamer. Met de opkomst van een dagopvang, verpleegafdeling plus de
aanleunwoningen blijft men zolang mogelijk zelfstandig wonen. Los van alle
economische voordelen komt er door de verzelfstandiging van de ouderen wat
minder toezicht en neemt ongetwijfeld het aantal mensen dat zich eenzaam voelt
toe. Door de overheid wordt er steeds meer geld in de bejaardenzorg gepompt. Het
is alleen jammer dat er geen extra hand voor de verzorging van bejaarden bij
komt. Al het geld gaat op aan meer deskundigen, meer managers en nog betere
primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, terwijl al die goedbedoelde zorg zo
troosteloos en onpersoonlijk wordt.
Medische zorg
Het is niet eenvoudig om door de grauwe sluier van de tijd tot in de
middeleeuwen door te dringen. Zeker niet wanneer het de geneeskunde betreft. Het
kopiëren en ontwikkelen van medische en geneeskundige geschriften vond
uitsluitend plaats achter de hermetisch gesloten deuren van het klooster. Van
deze kennis lekte vrijwel niets uit om de simpele reden, dat de gewone mens niet
kon lezen of schrijven.
Men plukte kruiden en gingen bij de plaatselijke magiër te rade. Het waren in de
middeleeuwen de kruidenvrouwtjes en de vroedvrouwen die van hekserij beschuldigd
werden als de oogst was mislukt of wanneer ziekte en dood rondwaarden door de
gemeenschap.
Medisch historicus Mart van Lieburg, de officiële geschiedschrijver van de
Nederlandse geneeskunde constateert dat de besmetting van ziektes goed konden
gedijen vanwege de onhygiënische toestanden. De mens stonk en had bijna nooit
schoon ondergoed aan. Dagelijks onder de douche, deodorant en gewassen ondergoed
is een zeer recente uitvinding. En dan het piskijken: door het bekijken van de
urine van een zieke trachtte men een diagnose van de ziekte vast te stellen.
Zijpgaten werden gekoesterd. Artsen maakten met behulp van een naald waaraan een
bosje paardenhaar (vol bacteriën zo weten wij nu) zat, een zijpgat (fontanel).
De bedoeling was dat er zo veel mogelijk pus uit de wond sijpelde, vanuit de
gedachte ‘dat ruimt op’. De patiënt hield de wond open door er af en toe een
erwt in te stoppen. Die erwt zweerde er dan na een tijdje weer uit.
Lepra was een ziekte die heerste in de middeleeuwen. Men zag het als een straf
Gods. Men stelde; “Zolang hij de plaag heeft, blijft hij onrein…… afgezonderd
zal hij worden”. Het ging zelfs zover dat een arts die een leproos behandelde
voor ketterij veroordeeld kon worden. Niet dat de leproos veel aan een arts had.
Die wisten niets van, en konden niets met de kwaal.
De kraamvrouwenkoorts, waaraan vele moeders stierven, had voorkomen kunnen
worden, als de dokters en verloskundigen hun handen hadden gewassen.
Rond 1700 woonde en werkte in de Voorstraat in Poeldijk een chirurgijn annex
kapper, Abram Cruijk. Zijn werk bestond uit haarknippen en scheren. Daarbij had
hij ook de praktische vaardigheid in de behandeling van verwondingen, breuken,
aderlatingen en het trekken van een kies. In zijn apotheek stonden de glazen
potten met talrijke kruiden en aftreksels geordend. De kamille had een hoog
aanzien. Deze plant kalmeerde het zenuwstelsel, reguleerde de spijsvertering,
verminderde hoofd- en zenuwpijn en reinigde het lichaam. Abram Cruijk had een
groot blauw uithangbord aan zijn winkel hangen waarop met gouden letters het
opschrift:‘Chirurgijn en Breukmeester’ stond.
Dat ’n chirurgijn niet altijd een lieverdje was, blijkt uit een voorval dat zich
afspeelde tijdens de fes-tiviteiten van het Bartholomeusfeest in Poeldijk . Op
woensdag 3 september 1710. Bij het gloren van de ochtend in de herberg de
“Hollandse Tuyn” van Pieter Arentz. van den Valck in de Voorstraat was ruzie
ontstaan tussen Vranck van Sweth en Wijnant Dijdeloff, ‘chirurgijn op
Honsholredijk’. Dit tweetal was waarschijnlijk achter de herberg, waar een
kaatsbaan lag, aan het kaatsen. Zij kregen ruzie over een ‘suyckert soopie’
(Brandewijn met suiker) en enkele schulden. Deze ruzie liep hoog op. Dijdeloff
schoot met een pistool in het achterwerk van Vranck van Sweth. Abraham Cruyk de
Poeldijkse chirurgijn werd ter plaatse geroepen en stelde vast, dat er twee
kogels in de linker en één in de rechterbil van het slachtoffer ‘omtrent sijn
fondament’ zaten. Bovendien werd de diepte van de wond geschat op ‘omtrent twee
hout duymen’. Wijnant Dijdeloff werd tot levenslange verbanning uit de landen
van Holland en Westfriesland. Als hij toch in handen van justitie zou vallen in
dit gebied, zou hij in het openbaar worden gegeseld en op zijn rug gebrandmerkt.
‘De Hollandse Tuin’ was een van de twee herbergen in Poeldijk. De andere herberg
heette ‘De Zwaan’ op de plaats waar tegenwoordig het hotel-restaurant ‘De
Vrienden‘ is gevestigd, in de Voorstraat.
Afval en uitwerpselen wierp men in goot en sloot, met als gevolg broeinesten
voor bacteriën en vi-russen. Dit gebeurde terwijl de boeren gewoonlijk hun
melkemmers in het oppervlaktewater uitspoelden, wat aanleiding gaf voor
buiktyfus.
Tegen malaria was in de eerste helft van de 19e eeuw al wel kinine, maar er
bleven toch veel slacht-offers door deze ziekte vallen. Zo stierven vele mensen
aan: ‘aanhoudende koorts’, koorts is uiteraard alleen maar ’n symptoom van de
ziekte of kwaal. Van de zuigelingen stierven er 25 per 100.
Ook de hygiëne in de ziekenhuizen liet alles te wensen
over; beddengoed ging ongewassen van het ene naar het andere bed. Als het maar
niet stonk, dan was het ook niet gevaarlijk. De kans dat je levend uit het
ziekenhuis kwam was dertig procent. Toch was de vraag voor opnamen in een
ziekenhuis groter dan de opnamemogelijkheden..
Voor geestelijk zieke en gehandicapte mensen waren de omstandigheden al even
treurig; ze bleven onder moeders hoede.
Tot rond 1960 kwamen er vele epidemieën voor, grotendeels veroorzaakt door
houten poepdozen die rechtstreeks uitmondden in een sloot of boven een vaart. In
Poeldijk waren deze poepdozen tot rond 1960 nog in gebruik. Ik kan me nog heel
goed herinneren, dat we rond 1950, met vriendjes in de Gantel aan het zwemmen
waren terwijl een buurman de beerput aan het legen was, ja, in die Gantel. Had
men een kadaver, b.v. een dooie hond, of poes, dan was het heel normaal als deze
in de Gantel werd gedumpt. De sloten waren een open riool. Een goed rioolstelsel
heeft in de afgelopen eeuw meer mensen het leven gered dan welk medicijn of
welke medische ingreep ook.
De klassieke ziekten van de kinderleeftijd bestonden de afgelopen honderd jaar
nog in volle omvang. Pas nadat vaccinatie rond 1970 ter beschikking kwam, daalde
het aantal infectie-ziekten als mazelen, pokken, difterie e.a. zeer sterk.
Vooral ‘difterie’ was een veel voorkomende ziekte. In de Tweede Wereldoorlog
maakte deze ziekte een geweldige piek door, met bijna een kwart miljoen
patiënten. Vaccinatie heeft ook aan deze ziekte een einde gemaakt.
Een vergelijkbaar verhaal kan ook worden gehouden voor ‘poliomyelitis’, in de
volksmond kinderverlamming. De laatste keer dat een epidemie van polio zwaar om
zich heen sloeg, ook in Poeldijk, was in 1956. Hiervoor werden poliovaccins
ontwikkeld. Na deze epidemie worden nu zo’n 97 % van alle zuigelingen tegen deze
ziekte ingeënt en met zeer goede resultaten. Af en toe komen, zoals enkele jaren
terug, nog kleine explosies voor onder diegenen die, hetzij om godsdienstige
hetzij om andere redenen, vaccinatie afwijzen.
In die oude tijd zonder antibiotica werd de mens gemiddeld niet ouder dan 40
jaar en daar hoeft niet aan getwijfeld te worden gezien de overlijdensregisters.
Hiermee geconfronteerd, mag men zich afvragen, waar de uitdrukking ‘die goeie
ouwe tijd’ vandaan gekomen is.
In de grote steden en op het platte land vestigden zich heelmeesters, die wat
betreft ontwikkeling erg verschilden. Een heelmeester had stage gelopen bij een
arts waarbij hij kennis opdeed. Wilhelmus Mattheus van Mil die zich in 1835 in
Poeldijk vestigde als heelmeester was zo iemand. Pas na 30 jaar gefungeerd te
hebben in Poeldijk als heelmeester kreeg hij de status van ‘arts’ (op gronden
van zijn lange ervaring) en werd het ‘arts zijn’ bij de wet geregeld. Voor deze
heelmeester gold een overgangsregel, waardoor hij zijn tijd kon uit dienen. Van
Mil stierf op 12 december 1874. Van zijn nalatenschap schonk hij een bedrag van
8000 gulden voor onbemiddelde theologiestudenten in Poeldijk en Voorburg.
Bennardus van Hoogstraten was de eerste gediplomeerde arts. Hoogstraten was van
rijke afkomst en werd, met inspanning van de Poeldijkse pastoor, in 1860 naar
Poeldijk gehaald. Deze huisarts is om onbekende redenen vroegtijdig met zijn
praktijk gestopt. Hij heeft nog jaren met zijn gezin, in een voor die tijd
prachtig huis met stoep ervoor, naast het spoorwegemplacement van de Westlandse
Stroomtram Maatschappij aan de Nieuweweg gewoond.

In 1874 werd Thomas van Dijk de Poeldijkse huisarts. Ook hij is maar kort in Poeldijk werkzaam geweest. Hij stierf namelijk op 2 december 1880. De opvolger van huisarts Van Dijk werd dokter Van Beek, die 20 jaar in Poeldijk zijn werk deed. In het jaar 1882 gaf het Poeldijkse armbestuur opdracht voor de bouw van een doktershuis in de Voorstraat, betaald met een renteloze lening. Op 16 augustus 1882 betrok dokter van Beek als eerste arts de prachtige dokterswoning aan de Voorstraat. In 1901 werd huis en praktijk overgenomen door de jonge arts dokter Weitjens. Hij was een graag geziene man. Hij leefde mee met de bevolking. Naast het uitoefenen van zijn beroep, heeft hij zich vooral ingespannen voor de verbetering van de arbeiderswoningen in Poeldijk.
Zijn praktijk en woning werd in 1930 overgenomen door
de arts J. L. Ter Haar. Op 3 juli 1942 behaalde deze de graad van doctor in de
geneeskunde en was nog maar een paar jaar studie verwijderd om als gynaecoloog
(vrouwenarts) door het leven te gaan. Hij bleef tot ergernis van zijn leraren in
Poeldijk als dorpsarts. Hiervan heeft menig Poeldijker geprofiteerd van zijn
kennis. Zijn inzet was 24 uren per dag en zeven dagen per week.
In 1974 nam F.C.M. Touw de praktijk van Dr. ter Haar over. Hij vestigde zich
niet in de dokterswoning aan de Voorstraat maar in de nieuwe wijk, op de tuinen
van de familie Kester in het ‘Prinsen-kwartier’. Dokter Touw is niet alleen een
goed arts maar ook geïnteresseerd in cultuur. Muziek en historie staan bij hem
hoog in het vaandel. Zijn hobby, de historie van de gezondheidszorg in het
Westland heeft zijn volle aandacht. Een uitgave hierover, in de nabije toekomst,
zou een verrijking betekenen voor de streekgeschiedenis.
Tot 1936 had Poeldijk steeds maar een geneesheer gekend. Hij had het monopolie,
totdat dokter de Lange zich als jonge arts aan de Poeldijkse Vaart vestigde. Hij
nam geen praktijk over, voor een geldbedrag, zoals zijn voorgangers dit hadden
gedaan. Dit zal de oorzaak zijn geweest dat het nooit tot samenwerking met zijn
collega Ter Haar is gekomen.
Deze dokter de Lange, sprekend lijkend op prins Bernard, was een wat men noemt
populaire figuur. Hij was actief in diverse verenigingen en verwierf mede
daardoor een flinke praktijk. Het werk van dokter de Lange werd twee maal
onderbroken. Eerst door de Tweede Wereldoorlog en later door zijn verblijf als
militair arts in het vroegere Nederlands-Indië. Dokter de Lange is later
directeur van het academisch ziekenhuis in Groningen geworden.
Zijn opvolger werd op 7 december 1954 dokter F. Th. J. Jansen. Deze dokter heeft
zijn patiënten 31 jaar verzorgd. Na dokter Jansen kwam deze dokterspraktijk in
handen van dokter P.P.M. Schijen, die nu samen met dokter Touw over de
gezondheid van de Poeldijkers waakt. Het ligt in de lijn van de verwachting dat
er in Poeldijk, van wege de groei aan inwonertal, een derde huisarts bijkomt.
Zij willen dan gezamenlijk een zogenaamde ‘Hoed’ gaan vormen. Hoed staat voor ‘Huisartsen-Onder-Een-Dak’.
De dokter heeft het in de loop der tijden steeds drukker gekregen. Nog niet zo
heel lang geleden werd hij alleen voor dringende kwalen geraadpleegd. Vaak was
het leven er mee gemoeid. Nu verwacht men van de dokter niet alleen, dat hij ons
geneest van allerlei kwalen, maar ook dat hij de kwaliteit van ons leven
verbetert.
Zoals u in de medische zorg hierboven heeft kunnen lezen waren er tot ver in de
twintigste eeuw ge-zinnen in Poeldijk die te kampen hadden met een langdurig
zieke, oudere of zwakke. En dat terwijl de behuizing bij velen miserabel was.
In 1905 werd op initiatief van de Poeldijkse huisarts dr. Weitjens ten noorden
van de Kastanjelaan aan de Nieuweweg een polikliniek gebouwd. Een inrichting
waar lopende patiënten poliklinische, niet langer dan 24 uur, hulp kon worden
verleend. Het gebruik hiervan viel in de praktijk echter te-gen en was het met
de kliniek gauw afgelopen. Het pand werd algauw als woonhuis verkocht aan de
heer Perquin. Deze was afkomstig uit Voorburg en ging op het kantoor van de
groenten- en fruitveiling werken.
Dr. Weitjes gaf de strijd niet op, en op zijn aandrang werd er in 1911 het
Groene Kruis in Poeldijk opgericht. Een vereniging die zich ten doel stelde om,
in die gezinnen waar schrijnend leed heerste, primaire hulp en troost, te
brengen. Het bestuur werd gevormd door twee katholieken en twee protes-tanten.
Voorzitter was de latere wethouder A.J. van Rest en secretaris de bekende Jan
Barendse. Penningmeester, B. Voorberg en bestuurslid F. Voskamp. Op haar
hoogtepunt, in 1925, telde de vereni-ging 457 leden. In deze periode had de
vereniging in samenwerking met de afdeling Monster gezamenlijk een houten tent
geplaatst op het strand van Ter Heijde. Daar konden de Poeldijkse en Monsterse
bleekneusjes, voor hun gezondheid de gehele dag vertoeven. In 1926 ging het met
de vereniging bergafwaarts. Het ledental daalde tot 98. Reden was de oprichting
van een afdeling van het Wit-Gele kruis te Poeldijk, wat hen meer dan 300 leden
kostte.
Het Groene Kruis stond toen voor de vraag verder gaan met een kleine vereniging,
of aansluiten bij Monster. Men koos voor het eerste. Er werd een nieuw bestuur
gekozen: het waren de volgende heren;
|
Voorzitter |
F. Voskamp |
|
Secretaris |
Jac. de Zeeuw |
|
Penningmeester |
B. Voorberg |
|
Bestuurslid |
J.C.Noordam |
|
Medewerkster |
Mevr. Fontein |
Mede door de opbrengst van f 3.000 uit een bazar (Fancy Fair) nog voor de scheiding gehouden in de garage van Schildmeyer kon men het mooie werk blijven voortzetten.
Op 27 mei 1926 werd er in het St Jozefhuis (bejaardentehuis) een katholieke vereniging met de naam Wit-Gele Kruis afdeling Poeldijk opgericht. Het bestuur bestond uit de volgende dames en heren;
|
Voorzitter |
H.C.van Velzen |
|
Secretaris |
Jac.J. Grootscholten |
|
Penningmeester |
George Gram |
|
Bestuursleden |
L. Bol |
|
|
J. Goeienbier |
|
Geestelijk adviseur |
Kapelaan Thijsen |
|
Medici |
Dr. Weitjens |
|
Damesbestuurslid |
Toos van Zijl |
|
Verpleegsters |
Eerw. Zusters van Oudenbosch |
|
Zuigelingenhulp |
Mevr. van Laarhoven Dekla |
|
|
Mej. Unkel |
|
Huisvesting |
St. Jozefhuis |
|
Financiën |
Donatie en contributie |

George Gram. Een van de mede oprichters van het Wit- Gele Kruis
Voor de vereniging in oprichting was er veel werk aan de winkel. Het parochieel armbestuur gaf de vereniging onderdak en de Zusters van Liefde uit Oudenbosch waren de eerste werkers in het veld.
Er waren in het oprichtingsjaar, 1926, zevenentwintig gezinnen in Poeldijk waar T.B.C.( in de volksmond tering geheten) heerste. Een zeer besmettelijke longziekte, met als enig geneesmiddel rust, frisse buitenlucht, hoogtezon en wandelen langs het strand. De beter gefortuneerde patiënten werden in een herstellingsoord in de bossen van Brabant of Zwitserland verpleegd. De Groene Kruis patiënten gingen onder begeleiding naar het strand voor wat frisse zeelucht. Dit werd in de volksmond ‘De Strandkolonie’ genoemd. Het Poeldijkse Wit-Gele kruis werkte zelfstandig en huurde aan het Poeldijksepad een stuk tuin van A. Vollebrecht. Deze werd ingericht als dagverblijf waar de Poeldijkse tbc-patiënten, in de open lucht werden opgevangen en begeleid. Later kwam de witte ligtent. Een wit huisje met veel glas en deuren waarin de tbc patiënt, als het mogelijk was, dag en nacht vertoefde in de buitenlucht. Voor de patiënten die woonden in een volksbuurt was er geen mogelijkheden om een kuurtent te plaatsen. Terwijl daar de bewoning juist zo miserabel en klein was. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er een medicijn beschikbaar, waarmee met de teruggang van tbc pas echt een goed begin kon worden gemaakt.
Het Wit-Gele kruis organiseerde in die dagen, in nauwe samenwerking met het vrouwengilde, moedercursussen. Moeders kregen voorlichting over hoe zij zelf hun zieken konden verzorgen en besmetting konden voorkomen.
De vereniging richtte al in het eerste jaar van haar bestaan verschillende afdelingen op, zoals kleuterzorg, consultatiebureau en kraamhulp. Door deze organisatie werd het voor het eerst mogelijk om bij kiespijn in Poeldijk een tandarts te bezoeken. Ook een keel-, neus- en oorspecialist ging spreekuur houden in het Wit-Gele Kruisgebouw. De geestelijk zwakken die altijd maar weggedrukt werden kregen van de vereniging de zorg die zij verdienden.
In het eerste jaar na de oprichting kon men wel spreken dat heel Poeldijk lid was van het Wit-Gele Kruis nl. 550 gezinnen. Alleen al in de behandelkamer van het Wit-Gele Kruis werden in dat jaar 1328 Poeldijkse patiënten behandeld. Voor verpleging aan huis staat een getal van 4106 genoteerd. Het aantal hoogtezon- bestralingen (ter bestrijding van tbc) bedroeg dat jaar 2218 bij 78 patiënten.
Overzicht
Jaarvergadering Wit-GeleKruis
Het Groene en Wit- Gele Kruis heeft in vroegere jaren veel baanbrekend werk verricht. Als we nu terugkijken naar de gezondheidszorg van toen, was het een verzorging door familie en buren. Het voornaamste dat wij niet mogen vergeten is, dat de Kruisverenigingen in de vroegere jaren heeft gewerkt met mensen die niet-materialistisch waren. Die zichzelf wegcijferden, om in die gezinnen, waar lichamelijk en geestelijk leed heerste, hulp en troost te brengen.
Ook was er in jaren 20 van de twintigste eeuw onder leiding van de presidente, mevrouw A Perquiin- Essers, een St. Elisabeth Vereniging in Poeldijk. Een vereniging voor hulp aan kraamvrouwen. Zij ondersteunde hen met levensmiddelen en de tekortkomingen in de luiermand. Al in het oprichtingsjaar werden 25 kraamvrouwen van 867 liter melk, 12 pond rookvlees, 20 pond soepvlees, van luiers en baby kleertjes voorzien. De donatie kwam voort uit een jaarlijkse rondgang bij de welgestelden. In 1947 nam mevrouw J.J.M. ter Haar- Canters de voorzittershamer van deze zo waardevolle vereniging over.
Thuiszorg is nu niet meer georganiseerd op het niveau van buurt en dorp. Het is steeds schaalvergroting wat de klok slaat, waardoor we – welbewust maar onbedoeld – anonimiteit scheppen. Structuren en diensten zijn van niemand, zodat niemand er ook echt verantwoordelijk voor of aanspreekbaar op is.
Ter nagedachtenis aan dokter Weitjens werd als dank voor het vele sociale werk de Kastanjelaan omgedoopt in Dokter Weitjenslaan. Het spreekwoord: ‘Ieder blad heeft zijn keerzijde’ was ook voor deze arts van toepassing. Door het vele sociale werk dat hij deed naast zijn artspraktijk raakte hij met zijn medische kennis achterop. Er is zelfs nog een handtekeningenactie gevoerd om een vervangend arts in Poeldijk te krijgen.

|
|