Hoofdstuk
XIII
Het 'rijke Roomse leven'
Poeldijk gold in de eerste 50 jaren van de twintigste eeuw als een pareltje aan
de kroon van de Nederlandse R.K. kerkprovincie. De parochie van de H.
Bartholomeus werd geleid door drie geestelijken (één pastoor en twee kapelaans).
Bij het passeren van de kerk nam zelfs menig katholieke man of jongeling zijn
hoed of pet af uit eerbied voor het Allerheiligste Sacrament dat zich in de kerk
bevond.
De kerkelijke vieringen werden druk bezocht. In de berichtgeving valt menigmaal
de opmerking ‘stampvolle kerk’. Tijdens de viering zaten de mannen en vrouwen
streng gescheiden, mannen in de rechtse kerkbanken en vrouwen links. Tijdens de
dienst hielden de vrouwen hun hoed op of droegen een mantilla, de mannen
blootshoofs.
Vanaf 1865 hadden velen in de kerk zijn eigen plaats. Deze waren gekocht of
gehuurd. Voorin waren de plaatsen erg prijzig, maar de prijs liep af naar gelang
je achterin ging zitten. Sedert 1877 werden de opengevallen plaatsen ieder jaar
bij opbod verkocht. Dit gebeurde op 2e Pinksterdag, na de hoogmis door twee
kerkmeesters. De vaste plaatsen waren vaak een bron van ergernis. Te allen tijde
kon men – ook als de viering reeds begonnen was – van zijn plaats worden
gestuurd, als de eigenaar van de plaats kwam opdagen. Dit systeem van vaste
plaatsen had ook tot gevolg, dat er weinig roulatie was, zodat jongeren en
anderen die van elders in de parochie kwamen wonen, maar moeilijk aan bod
kwamen. In 1955 verloor de eigenaar het recht op zijn plaats, als men te laat
kwam, dat wil zeggen, na de openingsbel. Had men geen vaste plaats, dan kwam
onder andere een van de heren, Grabel van Bergenhenegouwen Martien Gardien
of Klaas Reintjes langs: men betaalde dan per
kerkbezoek vijf en later tien cent voor de plaats. De armen zaten op gratis
plaatsen, in de zijbeuken achterin.
Het kerkgebouw werd zeer intensief gebruikt. De zon- en feestdagen werden gevierd met drie heilige missen. Behalve de missen kende men in de middag de vesper, stille aanbidding en gezang. Terwijl in de mei- en oktobermaand op alle door-de-weekse avonden het rozenkransgebed gebeden werd. Op het hoofdaltaar werd dan in de monstrans de hostie ter aanbidding ‘uitgestald’. Gezongen werd in het latijn: een lied ter ere van het Heilig Sacrament en een lied ter ere van Maria. Gebeden werd er in het Nederlands: een Rozenhoedje, dat wil zeggen vijf maal tien Weesgegroeten met een litanie. Die van Maria was de meest populaire. Het Tantum Ergo ging aan de zegen, het plechtigste moment van het Lof, vooraf. Was het Lof eenmaal uit, dan stelden de jongens zich op langs de kant van de Voorstraat. De meisjes liepen dan gearmd langs om nog even met elkaar te kunnen praten en schuin naar de jongens te kijken. Uit dit ritueel zijn veel huwelijken ontstaan. Ook op door-de-weekse dagen had men vrij algemeen ‘s morgens drie vieringen, waaronder om half acht de schoolmis, onder leiding van de onderwijzers.
De eerste helft van de 20ste eeuw waren in Poeldijk de jaren van het Rijke Roomse leven. Men had de voorstelling van God als een uitvergroot mens daarboven. De huizen waren behangen met religieuze voorwerpen. Kruisbeelden, H. Hart- en Mariabeelden sierden de huiskamers. Zij werden meestal van een bijna eeuwig flakkerend vlammetje voorzien, (kaarsje, olielampje en later een elektrisch lichtje). De slaapkamers waren voorzien van een gevuld wijwaterbakje. Door een kruisteken te maken met wijwater kon ‘de boze’ (het duivelse) afgeweerd worden. Voorts herinnerden allerlei dagelijkse gebeden de bewoners voortdurend aan het bovenaardse. In menig huiskamer schalde tijdens de vastentijd de stem van de franciscaanse paters Henry en zijn heerbroer Borromaeus de Greeve vanwege hun verbale kwaliteiten. Ook het ongekend populaire radiopraatje ‘Het Lichtbaken’ via de KRO op zaterdagavond, was een veel gehoord programma. Of wie kent niet de spreuken van de ‘Bond zonder Naam’ zoals ‘Verbeter de wereld begin bij je zelf’.
Een onmiskenbaar deel van dit Rijke Roomse leven was ook de vasten- en adventstijd. De tijd van versterven, bezinning en inkeer. Het begon met de bisschoppelijke vastenbrief, op de zondag voor Aswoensdag (zondag Quinquagesima). De brief werd voorgelezen vanaf de preekstoel, riep op tot boetvaardigheid en gaf concrete aanwijzingen hoe de beminde gelovigen zich in de vastentijd hadden te houden. Wilde men dispensatie wegens ziekte of zwaar werk, dan kon dat door het bidden van een reeks voorgeschreven gebeden, bv. zeven Onze Vaders, zeven Weesgegroetjes en de Twaalf Artikelen des Geloofs. De Paastijd was ook de tijd van het tiende offer in de daarvoor bestemde collectebus. Kinderen hadden, ongeacht hun leeftijd, een vastentrommeltje. Snoep en lekkernijen werden erin bewaard en konden de eerstvolgende zondag, in de vasten tijd, opgegeten worden.
In Poeldijk waren priester- en kloosterroepingen talrijk, waaraan de thuissituatie niet geheel onschuldig was. Vaak hadden kinderen een speelgoedaltaar om priestertje te spelen.

Spelenderwijs gingen kinderen om met het religieuse. Op deze foto ziet u vier van Zijltjes een zuster, een priester, een misdienaar en en een engeltje.
Het kinderspel en de dagelijks beleving van de heilige mis stimuleerde het verlangen om later priester of religieuze te worden. Gemiddeld kende Poeldijk wel twee priesterzonen per jaar.

Intocht van een priesterzoon in de Jan Olierookstraat.
Zij droegen dan hier in Poeldijk hun eerste H. Mis in de versierde Bartholomeus kerk op. De neomist was dan voordien luisterrijk in Poeldijk ingehaald. Vele van deze priesterzonen werden missionaris, hun aantal verdrievoudigde tussen 1920 en 1940. In 1930 had 10 % van alle missionarissen de Nederlandse nationaliteit.

De versierde brug, voor de neomist B.A. van Zijl over de Nieuwevaart, voor de Bloemstraat, naar zijn ouderlijke woning Vredebestlaan 18.
Regelmatig werd er een missieweek gehouden in Poeldijk. Een volksmissie, bedoeld om het geloofsleven een extra impuls te geven. De vooral door paters redemptoristen gehouden missieweken waren sinds 1917 een verplicht onderdeel van het kerkelijk leven. De paters namen dan hun intrek in de pastorie. In vurige predikaties wezen zij gedurende een week de Poeldijkse gelovigen op hun zondigheid en tekortkomingen. Via biecht, het doen van penitentie (boete) en het beloven van beterschap, was er dan een nieuw uitzicht op verlossing.
Inkeer en bezinning werd gezocht in retraites, die bij de jongeren doorgaans in het teken van de kuisheid stonden. De katholieke jongeren moesten immers een bittere strijd leveren om zijn/haar eer te bewaren. Een driedaagse retraite werd meestal afgesloten met de belofte dat zij ‘liever zouden sterven, dan God te bedroeven door de zonde van onkuisheid’. De wat ouderen, die in tijdelijke afzondering van de wereld leefden, gaven zich over aan gewetensonderzoek. Dat was een periode van bezinning gericht op ‘de verzorging van de onsterfelijke ziel en de persoonlijke vernieuwing’, zoals de encycliek Quadrogesimo Anno (1931) de sociale vernieuwing propageerde.
Poeldijk kende een bloeiend verenigingsleven dat door de parochie sterk gepropageerd werd. De geestelijk opvoeding werd hierbij nooit uit het oog verloren, zodat iedere vereniging wel zijn geestelijke adviseur kende. Zo kende Poeldijk sport-,toneel en muziekverenigingen, elk met hun eigen vaandel die nog regelmatig te zien zijn bij bijzondere gelegenheden. In de jaren tussen 1900 en 1950 kon men het verenigingsleven niet los zien van de beleving van de sacramenten, de eucharistie, lof of vesper. Ook op hoogtijdagen traden ze naar voren in processies, bedevaarten, missietentoonstellingen en andere vaste waarden. Het waren de elementen waarmee de kerkelijke autoriteiten normen en waarden uitdroegen en terugverlangden. Doel en middel was het geloofsleven in de kerk te handhaven en verder tot ontwikkeling te brengen.
Naast het verenigingsleven waren er ook organisaties die zuiver gericht waren op verdieping en gebed. Zo was er een leken vereniging de ‘Derde Orde’ van Sint Franciscus.

Leden van de derde orde bij gelegenheid van het 40 jaar bestaan.
Van links naar rechts.
Boven: Leen van der Voort, Jan van der Knaap, George Gram, Arie luik, Koos van
der Berg en Koos Kester.
Midden: Van Dijk, Jan van Ruijven, Jan van Paassen, Gerrit Barendse, Frans
Zuidgeest, Klaas v.d. Knaap. Leen van Paassen, en Gerrit v.d. Arend.
Onder: Lely, Cors van Luijk, Jan Bol, Cor Enthoven, Koos Grootschoten en Jan van
Kester.
Voor de dames kwam het vrouwengilde tot stand. Ook waren zij onder meer actief in de missienaaikrans, voor het maken van misgewaden, en in de Elisabethvereniging, van waaruit zij onder andere de zieken bezochten en betrokken waren bij de kraamzorg. Voorts waren er bedevaartgenootschappen, mariacongregaties, jeugd-en jongemannenverenigingen. Het bestaan van het zangkoor Deo Sacrum gaat terug tot de tijd van pastoor Verburch. Hij bedacht het kerkzangkoor in zijn testament.
Al te vaak werd het roomse leven vereenzelvigd met de gezinsgrootte en de roomse richtlijnen voor de huwelijksmoraal. In de jaren van het Rijke Roomse leven was in sommige streken de huwelijksvruchtbaarheid in het katholiek gezin hoger dan het landelijk gemiddelde of bij andersdenkenden. Poeldijk was ook zo’n enclave. Een gezin met tien à twaalf kinderen was hier geen uitzondering. Toch was voortplantingsvoorlichting in die jaren uit den boze. Voor jonge meisjes was onwetendheid een onderdeel van de maagdelijkheid. Vele meisjes wisten vaak niet wat er in haar lichaam afspeelde tijdens de eerste maandelijkse bloeding. Zij hebben psychisch geleden, omdat ze dachten dat ze iets ernstig hadden. Bij het praten over kinderen krijgen, gebruikte men enkel bedekte termen. Al liepen de emoties over ‘dat intieme’ bij haar vaak hoog op. Bij de jongens was het al niet anders. ‘De kracht van de man moest in de vrouw overgaan’, wat dat nou precies was bleef onvermeld. Seksuele voorlichting werd gewoon weggestopt, men kon niet in gewone woorden hierover praten en gebruikstaal bestond er niet. Er bleef alleen de ordinaire schuttingtaal over.
Pas na het Tweede Vaticaans Concilie kwam hierin verandering. De anticonceptiepil deed zijn intrede en iedereen kon de gezinsgrootte naar zijn persoonlijke zin bepalen. Paus Johannes XXIII verbood het gebruik, evenals zijn opvolgers. De Nederlandse katholiek trok zich niets aan van dit pauselijk verbod. Hij volgde zijn eigen geweten, want de paus was immers slechts onfeilbaar in geloofszaken. Menig calvinist heeft zich achter de oren gekrabd over dergelijke vrijmoedigheid. De katholieke gezinnen werden kleiner. Dank zij de pil is het kindertal in de gezinnen nu nog op een hand te tellen.
Poeldijk was een katholiek dorp. Een andersdenkende werd niet gemakkelijk toegelaten. Inkopen deed men bij de winkelier van hetzelfde geloof. Gemengde huwelijken waren uit den boze en gebeurde het toch, dan behoorde men automatisch tot een zekere onderklasse. Een bekend gezegde was: “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen”.
De Poeldijker las een katholiek dagblad, zoals de Maasbode of de Westerbode, die onder bisschoppelijk toezicht stond en geestelijken in de redactieraad hadden. Daarnaast kende men het weekblad ‘De Katholieke Illustratie’ vol met foto’s van grote gezinnen, jubilerende priesters, religieuzen en katholieke verenigingen.
Ook hadden we in die roomse jaren een doodbidder, namelijk ‘Siem Krijger’. Een magere man met een scherpe stem. Een min of meer voordrachtskunstenaar die voor twee gulden en vijftig cent de rozenkrans voor de overledenen voorbad. Voor dit werk was Siem altijd in het zwart gekleed waarmee hij als het ware de droefheid benadrukte. De rozenkrans voor de overledenen werden vaak thuis, maar bij grote families vrijwel altijd na het lof (avonddienst) in de kerk gebeden. Hadden de nabestaanden eenmaal plaats genomen dan kwam Siem van achter uit de kerk naar voren lopen, met duidelijk zichtbaar een rozenkrans in zijn hand. Het voorbidden ging er dan vrij heftig aan toe, waarbij hij zijn handen soms boven het hoofd uithief.
Op 11 oktober 1962, vond de plechtige openingszitting plaats van het Tweede Vaticaans Concilie dat bisschoppen van over heel de wereld samenbracht in Rome. Pas drie jaar later, in december 1965 gingen de concilievaders voorgoed uiteen. In de katholieke kerk bracht het concilie een nieuwe frisse wind. Het werd over heel de wereld intens gevolgd en mee beleefd.
Het Nederlandse episcopaat onder leiding van kardinaal B.J. Alfrink liep tijdens Vaticanum II al gauw in de kijker wegens vooruitstrevende ideeën die het werd toegedicht. Het werd geprezen in progressieve en vergruisd in behoudsgezinde bladen. Op het concilie zelf was Alfrink één van de tien leden van het praesidium en genoot hij een groot gezag onder zijn collega’s. De bisschoppen leken er ook in te slagen om het Nederlandse kerkvolk bij het gebeuren te betrekken. Het concilie werd vanuit het land met meer dan gewone belangstelling gevolgd. De papieren bevinden zich in de bisschoppelijke archieven en zijn inmiddels geclassificeerd.
Wat werd er zoal door de concilievaders in Rome besproken:
De collegialiteit van de bisschoppen.
De kerk als volk Gods onderweg.
Een ontwikkeling van een klerikale (geestelijke) kerk naar een volkskerk.
Versobering in het kerkgebouw
De altaardienst centraal stellen.
Zoveel mogelijk uiterlijk vertoon achterwege laten.
Toenadering tot de andere christenen.
Het celibaat van de priester
De plaats van de vrouw in de kerk.
Eerbiediging van de mensenrechten in de kerk.
Het missaal van Pius V (1570) of van Vaticanum II (1962-1965).
De actuele deelname van de gelovigen in de liturgie.
Latijn of volkstaal.
De Eucharistie: een offer, maar ook een avondmaal, het samen gedenken.
De kerkmeester hulp van de pastoor of medebestuurder.
Wat veranderde er uiteindelijk allemaal in de R.K.kerk door dit Vaticanum II?
Men hadden eerst de verplichting van zondagrust en kerkbezoek, die verplichting ging er, in het gevoel van vele mensen, na het concilie af. Men kon naar de H. Mis gaan als het verlangen ertoe was.
Men had een regelmaat van biechtspreken, ook dat werd weggewuifd.
De viering van Vesper en Lof op zondag werd overbodig.
De benaming ‘pastoor’ en ‘kapelaan’ werd afgeschaft en iedere priester werd ‘pastor’
Het onderricht bij de jongeren zoals in de congregaties, stond niet meer op de agenda.
Het bidden van de rozenkrans werd ouderwets genoemd.
De communie werd eerst op de tong ontvangen, later op de hand.
De priester hing zijn priesterkleding aan de kapstok en ging in burgerkleding verder.
Verschillende priesters van de parochie konden het celibaat niet meer opbrengen en traden uit het ambt.
Tot aan het Tweede Vaticaansconcilie werd de H. Mis in het latijn gesproken, hierna in de volkstaal. Toen pas verstonden veel gelovigen wat er gebeden en gezongen werd.
De priester stond tijdens de mis met de rug naar de gelovigen. Na het concilie maakte de priester een draai van 180 graden, met het gezicht naar de gelovigen. Hierdoor raakten de gelovigen meer betrokken bij de mis.
De mogelijkheid voor de vrouw om priester te worden werd niet bevestigd. Wel inspraak en deelname in kerkbestuur en parochievergadering.
De priester had geen controlerende tak meer die de parochianen op zijn plicht wees.
De geestelijkheid vormt niet langer die bevoorrechte en speciaal geëerbiedigde sociale klasse van vroeger.
De versobering binnen het kerkgebouw verliep na Vaticanum II, letterlijk en figuurlijk stormachtig. We beperken ons tot de Poeldijkse Bartholomeus kerk waarin de versobering wel erg letterlijk werd genomen. De kerk werd totaal leeggehaald:
De planken vloer met zijn mooie tegelpaden, beelden, altaren, (het hoofdaltaar, een Maria- en een Jozefaltaar) en de communiebanken gingen als puin de kerkdeur uit. De prachtige preekstoel van de beeldhouwer L. Veneman, de maker die met naam en faam bekend staat in de Nederlandse kerkhistorie, behaalde in 1855 met deze preekstoel op een wereldtentoonstelling van beeldende kunsten in Parijs de tweede prijs, werd verkocht aan een liefhebber.
Veel fresco’s, muurschilderingen, zeer royaal opgezet, tot in het gewelf geschilderd door de kunstschilder van Geffen en betaald met legaten en schenkingen van parochianen, werden van de muur gehakt.
De muren werden van boven tot onder grijs gestuct.
De kerkbanken werden grijs geverfd.
De twaalf lijdensstaties gingen naar de zolder.
Drie van de vier biechtstoelen werden als opslag gebruikt.
Dit alles resulteerde dat het kerkgebouw de bijnaam kreeg ‘De Bunker’. Wat gezien de grauwe uitstraling niet zo verwonderlijk was.

De Bartholomeus kerk met zijn fresco’s (muurschilderingen) geschilderd door de kunstschilder van Geffen en geschonken door parochianen.
Met het kerkinterieur verdween ook de historie van de kerk. Er zijn goede ontwikkelingen gekomen, maar er is ook veel veranderd, of het is verdwenen, waardoor we beslist armer zijn geworden. De romantiek verdween en plotseling waren er geen jongens en meisjes meer, die zich aangetrokken voelden tot het religieuze leven.
Velen zeggen nu dat Nederland aan het einde van de twintigste eeuw door de ontkerkelijking een missiegebied is geworden. Daarbij zijn enkele kanttekeningen te maken. Anderen tot je geloofsovertuiging brengen veronderstelt immers dat je je eigen leer superieur acht aan die van een ander. Dit staat haaks op onze tolerante cultuur waarin verlangd wordt dat de opvatting van anderen wordt gerespecteerd, zo lang die maar niet tot obsceniteiten (ontuchtigheid) of gewelddadigheden aanleiding geven. Over missie in eigen land is daarom het laatste woord nog niet gezegd.
Toch is aan het einde van de twintigste eeuw de storm van Vaticanum II enigszins bedaard. De R.K. kerk is in een wat rustiger vaarwater terechtgekomen. De oudere priesters lopen nu in gewone burgermanskleding. Zij dragen alleen maar een kruisje op de revers ter herkenning van hun priesterlijke waardigheid terwijl de jongere priesters in een zwart pak met Romeinse collaar hun waardigheid uitstralen.
Er valt aan het begin van het nieuwe millennium weinig te jubelen voor de Rooms-Katholieke kerk. Velen lijken hun geloof te hebben verloren of beperken zich tot een oppervlakkige beleving ervan. Het groot aantal niet-gedoopten en het tekort aan priesters zijn zichtbare tekenen van de voortgaande ontkerkelijking.
De moderne mens wil volledig autonoom leven en heeft moeite met een geloofsleer die door de kerk op grond van de bijbel wordt aangereikt. De geloofsbeleving is een privé-zaak geworden. Velen hebben moeite met een God. Door de steeds verdergaande individualisering ervaren mensen God niet meer en zien zij ook de ander minder staan. De solidariteit staat zwaar onder druk. Wij dreigen alles voor onszelf op te eisen en vergeten dat dit vragen is om een racefiets terwijl je een looprekje ontvangt.
De kerk als Gods volk onderweg is eenvoudig niet kapot te krijgen, want als dat wel zo was had zij allang niet meer bestaan.
