Hoofdstuk
XVII
Volksbuurten
Poeldijk had in de 19e en begin 20e eeuw verschillende volksbuurten, die allen buiten de dorpskern aan het water gelegen waren. Vele families woonden er generaties lang en gewoonlijk in een goede verstandshouding. Verenigingen of sociale instellingen waren er nauwelijks. Men was bij gezinsproblemen doorgaans van elkaar afhankelijk. De bewoners waren verknocht aan hun huisje, hun buurtje, hun ‘stekkie’. De naam van een volksbuurt was wijd en zijd bekend in de omgeving. Dit moge blijken uit het feit dat de postbode regelmatig post bij de bewoners bezorgde met de familienaam en de vermelding van de buurt waarin zij woonden.
U moet weten, dat er vroeger ook woningnood was. Er waren ‘huisjesmelkers’ die tegen de geringste kosten, hofjes lieten bouwen. De huisjes waren piepklein, vaak niet meer dan twee vertrekjes met een zoldertje. De kinderen sliepen op een tochtig zoldertje. Tussen de dakpannen konden ze ‘s avonds de sterren tellen. ‘s Winters dwarrelden de sneeuwvlokken op de dekens. Buitenmuren waren halfsteens, zodat de winterkou en vocht vrij spel hadden. Er waren nog geen bouwverordeningen waaraan opdrachtgevers zich, wat betreft materialen en bouwwijze, dienden te houden. Op die wijze kon men met een betrekkelijk geringe investering, een goed rendement halen.
In een volksbuurt wonen, betekende veel dingen samen doen. Verdraagzaamheid was een van de eerste vereisten. Men had weinig privacy. Een van de dingen waar men dagelijks mee te maken had, was het gebruik van een gezamenlijk toilet buitenshuis. In elke volksbuurt stonden wel een of twee kleine kamertjes, met in de deur een open hartje om te zien of hij bezet was en tegelijkertijd diende voor de luchtverversing. De plee, zo was de naam, bestond gewoonlijk uit een beerton achter een gemetseld muurtje met een plank afgedekt. In het midden een uitgezaagd rond gat met een houten deksel. Altijd moest men, voor de grote of kleine behoefte, naar buiten. Bij regen of sneeuw en in het donker, want er was geen licht en een kaarsvlam woei uit. Nee, het zat niet prettig, maar men wist niet beter. Gedurende de nacht waren kinderen, ouderen en zieken aangewezen op de nachtspiegels. De nachtspiegel werd doorgaans ‘pispot’ genoemd. Er kwam met een bepaalde regelmaat een tweewielige hoge kar getrokken door een paard in de buurt om de beertonnen te legen.
Daarbij had elke buurt ook een gezamenlijke waterpomp. Dit water werd omhoog gepompt met de handpomp. Wat betreft smaak was dit welwater erg lekker, maar van kwaliteit had men toen nog geen weet. Was de zomer warm en droog, dan stond ook de pomp droog en was men afhankelijk van de gemeentepomp. De gemeente rantsoeneerde dan het water, om geheel droogstaan te voorkomen. Op bepaalde uren van de dag kon men dan een emmer water halen, waarna de gemeentepomp werd afgesloten met een ketting. Het heeft nog tot 1923 geduurd, voordat er in Poeldijk sprake was van schoon drinkwater en dan als allereerste in de dorpskom. In die volksbuurten is vroeger heel wat leed geleden, al was de huur maar tachtig cent per week.
De mensen stonden bij het krieken van de dag op. Werkdagen van twaalf uur waren eerder regel dan uitzondering. Niet verwonderlijk dat de mensen al om acht, negen uur ‘s avonds doodmoe naar bed gingen. De sociale verhoudingen waren sterk, soms benauwend. Voor meester, de juf, de burgemeester, de notaris, de dokter, de dominee, pastoor en veearts werd de pet afgenomen. Het vertier speelde zich in de kroeg af, of anders bij een uitvoering van de toneelvereniging, muziekkorps of de zangvereniging.
De maaltijden van deze volksbuurtbewoners waren sober. Roggebrood met spek, thee, soepbrij, stamppot met veel aardappelen, soms een stukje vlees en karnemelksepap.
Ontspanning was minimaal. Het grootste evenement was de jaarlijkse kermis in het centrum van Poeldijk. De opening en de sluiting van de kermisdagen gingen vaak gepaard met een zeer geliefd vermaak ‘ het teertonnenbranden’. Op het feestterrein was er altijd wel een wafelkraam en een zoetelaarstent, waar ook bier en jenever werd verkocht. Daarbij een kop van jut en een ballentent. Om deze kramen waren dan nog waarzeggers, kwakzalvers, wondermensen, koorddansers, kunstenmakers, zakkenrollers en goochelaars die allen in gekke bontkleurige kleren rondliepen. De luchtschommel en een draaimolen waren van latere datum.
Verschillende van deze volksbuurten hadden een eigen buurtwinkel. Daar werd de gort, rijst, groene erwten en kapucijners uit jute zakken verkocht. Houten planken met flessen en trommels domineerden de eenvoudige winkel. De meeste producten werden afgewogen en in een papieren tuitzak gestopt. Er werd veel op de pof gekocht.
Speelgoed was er niet, het voetballen was net ‘uitgevonden’. Kinderen speelden vooral op straat: kaatsen, touwtje springen, vliegeren, tikkertje, verstoppertje en knikkeren.
Nabuurschap, het lijkt een bijna uitgestorven woord, stond hoog in het vaandel. Buurvrouwen bakerden bij een bevalling, maar hielpen ook bij het afleggen van een overledene. Natuurlijk kwam de aanzegger bij iedereen aan de deur om deze gebeurtenis bekend te maken.
Het Stikkie
Aan het einde van de Poeldijksevaart, langs de Gantel lag zo’n volksbuurt. Het was een stuk land dat op de kaart van Cruquius van 1712 nog staat aangegeven als moerasland. Als het water in de Gantel hoog stond, liep het land onder water. Rond 1830 kwam dit perceel in het bezit van Adriaan Pietersz van der Knaap. Het perceel werd opgevaren met zand en bagger en er ontstond een normale tuin. Het was een lage, smalle tuin, maar ideaal voor het telen van groenten. Langs het water van de Gantel liet Van der Knaap veertien arbeiderswoningen bouwen. Drie blokken van vier en twee ‘betere’ woningen.

Het riviertje de Gantel met de woonbuurt het stikkie. De bewoners genoten van de rust en het water. Zij noemden het ook wel heel tevreden ‘Gantel lust’.
Het waren zeer eenvoudige huisjes van één kamertje en een zolder. Er was een loodsje aan met wc en een afdak aan de achterkant. Het waren huisjes waar schippers graag woonden. De schippers konden zo voor het huisje hun schuiten aanmeren. Het was een volkje apart en dit buurtje werd in de volksmond ‘Het Stikkie’ genoemd. Deze bijnaam was afgeleid van een stukje tuingrond, dat bij een soort verkaveling van de tuinakkers overbleef. Het geerde wat in de bocht van de Gantel.
Als ik de courant uit vroegere jaren letterlijk mag citeren, dan was de stoep (een houten vlonder aan het water de Gantel) gootsteen, wasmachine en badkamer tegelijk. Een zeer drukbezocht plekje dus. Daar speelde het buurtleven zich af. Na het middageten als vader naar zijn werk was en de kinderen naar school, dan waren de vrouwen op hun stoepje aan de waterkant. Daar werd het eetgerei gewassen en afgespoeld in het Gantelwater. Het was dan een gekakel van jewelste. Op zon- en feestdagen en ‘s avonds kon je spreken van een gezellige drukte voor de huizen. En daarbij nog, dag en nacht de voorbij varende schuiten, al met al een schilderachtig geheel. Het Stikkie, was een zeer karakteristiek volksbuurtje in Poeldijk. Bekende Poeldijkse families hebben er gewoond zoals oa. Meijer, Zuidervliet, Zuiderwijk Greeve, Reijntjes, Van Garderen, Jongmans, Olieroek en Jaap Brak.

Het vroegere Stikkie met op de achtergrond de dubbele toren van de toenmalige kerk.
In het laatste huisje, recht tegenover Jan v.d. Knaap (Gantel 11), woonde Jozef Moor met zijn huishoudster. Jozef, een zware kerel, was Duitser en zijn huishoudster een Amsterdamse. In de Eerste Wereldoorlog vluchtte Jozef als deserteur uit het Duitse leger. Na een rondzwerving door Nederland kwam hij in Poeldijk aan het Stikkie te wonen. Ze waren beiden anders dan de andere dorpelingen vooral door hun taal en leefgewoonten.
Ze hadden ondanks de kleine behuizing allerlei soorten vee, zoals een varken, geiten, een bok, kippen en konijnen. Er leefden ook veel ratten en muizen. Met zijn bootje voer Jozef, met zijn trouwe hondje, naar de klanten voor het isoleren van verwarmingsketelsbuizen en het schonen van de sloten en het maaien van de kanten. Onderweg sprokkelde hij eten voor zijn vee. Na de Tweede Wereldoorlog werden de huisjes onbewoonbaar verklaard. Jozef vertrok, ondanks het slechte weer, met zijn boot en inboedel en zijn trouwe huishoudster aan het roer, naar de Zwet. Zijn opzet was om daar samen hun verdere leven te slijten. Deze boottocht werd echter voor de bejaarde roergangster fataal. Door het slechte weer tijdens de overtocht stierf zij na een ziekbed van enkele dagen in haar nieuwe onderkomen. Het gevolg was dat Jozef nog verschillende jaren alleen tussen zijn vee voortleefde om later, in het bejaardenhuis in Wateringen, zijn hoofd voorgoed neer te leggen.
In 1909 verkocht de familie Gerard van der Knaap het land met de huisjes aan een boer uit Wateringen, nl. Steef Maat. De latere eigenaar, Wim Maat, heeft de huisjes, toen ze bouwvallig waren, gesloopt. En nu staat er een moderne bloemkwekerij, in het bezit van Ben Maat. Het Stikkie waar eens veel Poeldijkse gezinnen woonden en op de zomeravonden, vissend in de Gantel, elkander hun sterke verhalen vertelden, is nu geheel verdwenen.
Geen honderd meter verder van het Stikkie had Gerrit Broch in 1870 ook vier arbeiderswoningen laten bouwen. Deze stonden aan het begin van het Poeldijksepad, bij het zogenaamde ‘Plankie’ langs de Gantel. Ook zeer geliefd bij de schippers, omdat zij vlak bij hun woning hun schuit konden aanmeren. Onder meer hebben er gewoond: Piet Nederpelt, Janus Mooiman, Bruggenman, Leen Verbeek, Evert Verbeek, Willem van Bergenhenegouwen en Kees Zuidervliet. In 1947 zijn deze woningen afgebroken. Alleen de herinnering aan een vroegere volksbuurtje van Poeldijk is achtergebleven.
De Muizenval
Ook was er een volksbuurt, gelegen op de hoek Voorstraat-Nieuweweg. Dichtbij de huidige stoplichten en oude veiling. Dit huizenblok, gebouwd rond 1750, werd de ‘Muizenval’ genoemd. Het waren tien woningen met een wat eigenaardige bouw. Doordat de weg van de Voorstraat later wat opgehoogd werd voor de veilingbrug stond dit huizenblok in de diepte. De onderkant van de ramen bevonden zich op gelijke hoogte met het wegdek. Elke twee huisjes hadden een poortje met een gangetje en halverwege dit gangetje kon men aan weerszijden een woning bereiken. Tekenend voor de treurige toestand daar was wel, dat de scheidingsmuren met de buren op de zolders alleen bestonden uit rietmatten. De naam muizenval zegt het al, muizen en ratten waren er niet vreemd. Het ongedierte werd nog in de hand gewerkt door de verre van hygiënische toestanden rondom de huisjes en in de slootjes. Alles werd daar in gekiept. Het waren rioleringen en vuilnisbakken tegelijk.

Een stukje Voorstraat met postkantoor en op de achtergrond de ‘Muizenval’
In de middelste huizen hebben vele jaren lang gewoond, oa. de familie Lunenburg, Witkamp, Mooijman, Janus Griepman en Willem de Brabander. De twee buitenste woningen waren wat groter en werden door ambachtslieden bewoond. In het eerste huis aan de dorpskant heeft jarenlang de familie Lestrade gewoond. Hij was ketellapper (loodgieter), Het laatste huis, vlakbij de Nieuweweg is jarenlang als café ‘Zwarte Bet’ gebruikt. Er was een serre achter gebouwd, met veel glas, van waaruit men een mooi uitzicht had op de Nieuweweg.
Janus Griepman, een muizenvalbewoner, was een zonderling iemand. Hij regelde zijn eigen godsdienstzaken. Hield in zijn woning zondags voor gezin en kennissen kerkdiensten en ging daarin zelf voor. Op een zondagmorgen tijdens zo’n dienst smeerde de jongens die regelmatig in de Zwarte Bet kwamen het zitvak van het toilet (dat buiten stond) in met teer. Tijdens de dienst ging er één opzitten. Dit resulteerde in veel boosheid. Janus ging aangifte doen op het politiebureau. De Poeldijkse agent Toon Zuiderwijk ‘Lange Toon’ genaamd maakte proces-verbaal op. Ondanks de inzet van Toon, met grote snor, was van de daders geen spoor te vinden.
Jarenlang was Piet v.d. Klugt eigenaar van café de Zwarte Bet. Zijn vrouw, een struise deern uit Overschie, was het café wel toevertrouwd terwijl haar man het vak van mestschipper uitoefende. Na het vertrek van Van der Klugt kwam er als kroegbaas, Jan Heppe. Zijn vrouw verzorgde het café en Jan ging overdag werken bij de smid Grimbergen. Jan Heppe zat jarenlang in het bestuur van de Volksbond, hij was een van de oprichters van de Poeldijkse Land- en Tuinarbeidersbond St. Marcus. Tegelijkertijd was hij secretaris van Herwonnen-Levenskracht ter bestrijding van de TBC en was mede oprichter van de RK bejaardenbond in Poeldijk. In de jaren dertig zijn de huisjes van de Muizenval afgebroken vanwege de verbreding van het kruispunt Voorstraat-Nieuweweg, waarmee een oud en historisch dorpsgezicht uit Poeldijk verdween.
De Rottenval
Langs de Rijksstraatweg (Nieuweweg) op de hoek Leuningjes (Irenestraat) stonden twee groepen van vier woningen, aangrenzend aan een druivenmuur die de huisjes van de daarachter gelegen tuin scheidden. Dit complex werd in de volksmond ‘De Rottenval’ genoemd en was gelegen waar nu het fietspad langs de Nieuweweg ligt. Het waren simpele arbeiderswoningen. Tussen een afscheidingshekje langs de Nieuweweg en de huisjes was een paadje van anderhalve meter. Kwam men zo’n huisje binnen dan was er eerst een klein portaaltje, waarin de trap naar de zolder was. Onder de trap had men het zogenaamde ‘spint’ waar men het een en ander kon opbergen. Vanuit het portaaltje kwam men in de kamer. Aan een zijde was daar een bedstede en naast de bedstede een deur die toegang gaf tot de kelder. Deze was onder de bedstede gelegen. De kelder werd gebruikt voor de opslag van aardappelen en kolen. Had men zelf een varken geslacht, dan was er zelfs een vleeston te vinden. Bij de toegang van de kelder waren planken aangebracht om het een en ander op te kunnen bergen. In de kamer, aan de overkant van de bedstede, was de haard met schoorsteen, waar het eten werd gekookt. In de zomer was dit een open haardvuur, er werd gekookt in een ijzeren pot die aan een haak boven het vuur hing. Men stookte er veel takken en snoeisel. Het was vroeger de gewoonte van de tuinder dat alle dode bomen bestemd waren voor de arbeiders die op het bedrijf werkten. In de winter werd er in de kamer een platte buiskachel geplaatst. Deze kachel werd later in de tijd grotendeels vervangen door een fornuis om te koken en om tegelijkertijd de kamer te verwarmen. De kamer had maar één raam en de planken vloer was rood geverfd. Bij slecht weer, als men buiten niet kon wassen, waste men eveneens in de huiskamer. De zolderverdieping was een open ruimte, naar beneden afgesloten met een luik dat men doorgaans met het hoofd optilde om op de zolder te komen. Het dak was van latten met dakpannen er op. Bij jachtsneeuw lag de sneeuw op de dekens. Dikwijls had men niet eens voldoende dekens. Men kon dan echter vaak bij een boer koedekken lenen, omdat de koeien in de winter toch op stal stonden. In het voorjaar werden ze dan netjes uitgewassen en onder dank bij de boer teruggebracht. Verschillende families hebben in ‘de Rottenval’ hun hele leven gewoond, zoals Daan van Dijk, Hersbach, Hoogervorst, Mie v. d. Plas, Zuiderwijk, en Van Dalen.
Voorbij de huisjes langs de Nieuweweg hadden de bewoners achter een muur hun varkenshok staan en brachten daar een deel van hun schamele vrije tijd door. In de zomertijd, bij goed weer, stonden de bewoners vaak buiten. Achter het hekje, praten zij over alles en nog wat en keken naar de tram die vlak langs hun huisje stoomde.
Links van de Rottenval tegen het huis van timmerman Verhaar, stond een woon-winkelhuis aangebouwd, van Willem van der Berg. Willem was geldschieter, koopman en commissionair in groenten en fruit en runde een kruidenierswinkeltje. Hij was een niet groot, maar stevig gebouwde man met een platte zwart zijden pet op het hoofd. Met opgerolde hemdsmouwen en een sloof voor stond hij in zijn overvolle winkel met kruidenierswaren, emmers, borstels, bezems, klompen en laarzen. In de winkel was het nogal donker, grijsgroen geverfde zolderbalken en muren.
Willem werd in de volksmond ‘ Willem de Span’ genoemd. Werden de kinderen door moeders op een boodschap uitgestuurd dan gebeurde het vaak dat ze hem heel netjes met: “ Meneer de Span” aanspraken. Willem werd dan zo boos dat de kinderen snel moesten wegvluchten. Naast zijn dagelijks werk is Van der Berg jarenlang een verdienstelijk kerkzanger en bovendien dirigent van het zangkoor geweest.
De volksbuurt ‘De Rottenval’ moest verdwijnen voor de verbreding van de Nieuweweg in het jaar 1920. Als men nu over het fietspad rijdt langs de Nieuweweg, rijdt men precies op de plaats waar vroeger de huisjes van ‘De Rottenval’ stonden.
De leerlooierij
In 18e eeuw, stond er op de hoek Polderlaan (Verburchlaan) en Kerkstraat (Voorstraat) een grote brede loods, een leerlooierij. Deze kwam na overlijden van de eigenaar geheel in het bezit van het RK Armbestuur. Die liet de loods verbouwen tot een zestal woningen. In het midden was er aan de voorkant een deur. Daar achter een lange gang, waarin zes deuren, waarmee men de diverse woningen kon bereiken. Men kon ook achteruit en kwam dan op een plaatsje, waar het gezamenlijke toilet stond en een waterpomp. In de winter waren deze ingesloten woningen luw en warm. In de zomer waren ze erg warm en benauwd. Aan het einde van de 19e eeuw woonden in dit pand de volgende families: Hagen, Ammerlaan, Reijntjes, van Rijn, postbode Heskes en de toen al oude Frans Middelburg. Het geheel is rond 1900 afgebroken. De heer A. J. van Rest, de latere wethouder van gemeente Monster, afkomstig uit Naaldwijk, bouwde er een fraai huis met schilderswerkplaats voor in de plaats. Op het achterste stuk liet het armbestuur nog twee woningen bouwen, alleen bestaande uit een woonkamer, een klein slaapkamertje en een geheel open zolder waar de kinderen konden slapen. Een van deze huisjes werd verhuurd aan de toen nog jonge Jan van Bergenhenegouwen. In het andere huisje woonde Mina Ruilingen, de weduwe van Jaap Middelburg. Zij zorgde voor de warme stoven die de gegoede mensen in de kerk gebruikten om s’winters tijdens de H. Mis de voeten warm te houden. Mevrouw A. Bol–Nederpelt schreef in 1953 over haar het volgende: “Mijn oma Mina Ruilingen was stovenzetster in de Poeldijkse kerk. Voor zestig cent per winter verzorgde ze de warme stoof, waar veel gebruik van werd gemaakt. Zondags had zij het heel druk, want dan waren er meestal zaterdags tevoren heel wat stoven besteld. Onder haar schort bracht zij telkens twee stoven naar de kerk. In de week, als er een trouw- of rouwmis was, was ook mijn grootmoeder met haar stoven present. Zij had een open schouw en daar lag dan steeds een vuur in om de briketten heet te krijgen. Zomers stond voor de schouw een scherm van hout. Daarop was Torenzicht geschilderd. Een kasteeltje buiten het dorp. Wat dat stoven zetten betreft, grootmoeder begon daar altijd in oktober mee. Het duurde soms tot in maart. Zomers werden de stoven bij haar boven bewaard. Er waren mooie stoven bij. Prachtig uitgewerkt, ovaal en rond. Ik bezit nog twee stoven en een test”.
De Kerkstraat
Na de afbraak van de kerk in de 18e eeuw, op de plaats waar nu een grote meubelzaak is gevestigd, werden onder meer vier woningen gebouwd die hun ingang hadden aan het kerkslop. In 1850 waren deze woningen eigendom van de familie De Bruin. Zelf woonde deze in de laatste van de vier, waarnaast een grote vorstvrije schuur stond. Deze schuur was bereikbaar via een sloot, van af de Poeldijksevaart en werd gebruikt voor de opslag van turf. De familie De Bruin was in haar werk veelzijdig. Zij runde een turfhandel en groetenhandel in Den Haag en verzorgden de trekschuit van Poeldijk naar Den Haag. In de andere drie huisjes woonden: Willem van Dijk, met de bijnaam Sukker, Daan de Bruin en Jan Ammerlaan. In 1910 zijn deze huisjes afgebroken en werden er vier nieuwe gebouwd. Daarin woonden op de hoek van de Voorstraat Kees Heskes, bezorger van de krant ‘Westerbode’, barbier en kleermaker. Vervolgens Jan Zuiderwijk, Piet Zuijdervliet en de familie Troost. Het huisje van Heskes werd verkocht aan de dames v.d. Burg, die het verbouwden en er een textielwinkel gingen bedrijven. De overige huizen werden verkocht aan Gerard Schildmeijer. Het laatste huisje met grote schuur verhuurde hij aan Klaas Vis, die er een rijwielhandel en reparatiewerkplaats in vestigde.

Een graag geziene man, de fietsemaker Klaas Vis met zijn plaatsvervanger zoon Jan voor de etalage in de Kerkstraat.
Toen de dames v. d. Burg de schaapjes op het droge hadden, verkochten zij huis en winkel aan Bertus Derksen uit Tubbergen. Deze Bertus kocht later ook de twee andere woningen en het huis en de werkplaats van de zoon van Klaas Vis. Derksen heeft van het geheel een moderne meubelzaak laten bouwen.
Naast de werkplaats van Klaas Vis stond nog een klein huisje, daar woonde in 1880 de familie de Wit. Na de dood van de laatste de Wit kwam in dat huis Willem de Brabander, de ‘Koffieboon’ genaamd. Als Willem een borreltje gedronken had, en dat gebeurde nog al eens, nam hij een koffieboon in de mond om zijn vrouw te misleiden van zijn dranklucht. En als laatste bewoner dreef Wim van der Kamp er nog een oliehandel. Hij is later naar de Verburchlaan vertrokken. In 1970 is ook dit huisje afgebroken. Naast het huis van de familie De Wit lag een tuin die strekte tot aan de Gantel. Langs deze tuin lag een pad tot aan de Vaart. Via een brug kon men dan over het water van de Vaart komen. Vanaf de Kerkstraat kon men langs dat pad een zeer oud huis bereiken. Dit moet waarschijnlijk het oudste huis van Poeldijk geweest zijn. Het was wel een bijzonder huis, met gemetselde lagen uit de 17e eeuw en muren met een boogvormig metselwerk. De laatste honderd jaar woonden er Kees Kruik, S. Nederpelt Jac.z., Piet van Garderen en Gerard Witkamp. Dit monumentale huis had een open pannendak. De familie Nederpelt heeft het gepresteerd om op een wintermorgen wel 75 emmers stuifsneeuw van de slaapzolder te scheppen. Het huis werd in 1947 gesloopt en tegelijkertijd werd de sloot ernaast gedempt. Daarvoor in de plaats kwamen 12 seniorenwoningen. Over het pad werd een stuk van de Rijsenburgerweg aangelegd. Op de aangrenzende tuin werd een school gebouwd voor moeilijk lerende kinderen. Al met al veel verbeteringen, maar veel van het karakteristieke Poeldijk is er wel door verdwenen. Ook van de Kerkstraat is in feite niets overgebleven.

Het is haast niet te geloven, deze prachtige foto geeft u een kijk op de vroegere huisjes aan het einde van de Kerkstraat. Janus Knaap bijgenaamd Janus Kali, de eerste kuntmesthandelaar in Poeldijk, poseert hier met zijn vrouw op de brug voor hun huisje. Knaap liet achter zijn huis, langs de Gantel de schuren van de latere Handelsraad, Kaay bouwen.
De Schoolstraat of het Sloppie
Halverwege de Voorstraat bevindt zich het smalle maar vrij lange Schoolstraatje, waar eeuwenlang het hart van Poeldijk klopte. Het straatje wat in de volksmond ‘het Sloppie’ werd genoemd, was maar anderhalve meter breed. Er stonden verschillende winkels, een arrestanten lokaal en wel 30 zeer oude huisjes. We gaan kijken vanaf de Poeldijkse Vaart naar de indeling, hoe er werd gewoond en wie er alzo woonden aan het begin van de 20e eeuw. We beginnen op de hoek van de Poeldijksevaart-Schoolstraat waar tegenwoordig bloemenzaak ‘De Bloemerie’ winkelt. Op die plaats zat bakker Luiten met zijn winkel en bakkerij, later overgenomen door bakker Bom. Daarnaast stond een oud huis met een winkeltje, waarin 1890 de weduwe Zuijdervliet woonde. Het was het zogenaamde snoepwinkeltje waar onze voorouders, voor een halve of voor èèn hele cent ‘van het grote of kleine blad’ een stuk snoep konden uitzoeken. Dit pand werd later verkocht aan Jan v. d. Elst die het nadien sloopte en er een dubbel huis voor terug bouwde. Naast het huis van de familie van der Elst stond een tamelijk groot pand. Dit was in 1870 eigendom van Jan Nederpelt. Het pand bestond uit een groentewinkel en een woonhuis. Een dochter van Jan Nederpelt, Mietje genaamd, heeft de winkel nog jarenlang draaiende gehouden. Het was een wat donkere, een wat geheimzinnig winkeltje, en er hing een benauwde geur. Zij verkocht er van alles, zoals grutterswaren, levensmiddelen, maar ook klompen. Menig Poeldijker heeft bij haar op zolder klompen gepast. Praktisch iedereen droeg destijds klompen. Dit oude pand werd verkocht en kwam in het bezit van de weduwe Kees Delfgauw die het nog jaren voor pakhuis heeft gebruikt.
Achter dit pand stonden vier arbeiderswoningen. Men kon de vier woningen bereiken door een poort die lag tussen de woning van de familie v.d. Elst en het huis van Nederpelt. In die woninkjes hebben in de loop der jaren talrijke Poeldijkse families gewoond, zoals Kees Olierook, Kees Kruijk, Dorus Hoogervorst en vele anderen. Aan de andere kant in de woonpoort stond een klein huisje, waarin jarenlang de mutsenstrijkster Aaltje van Rijn heeft gewoond. Deze naaide ook mutsen en lijkwaden voor de overledenen. Naast het voormalige pand van Nederpelt stonden een drietal arbeiderswoningen, klein en oud. De huisjes hadden een puntgevel aan de zijde van de Schoolstraat. In die huisjes hebben in de loop der jaren vele families gewoond. Onder meer Toon v. d. Elst ‘Fietele Toon’ genaamd, een bewegelijk mannetje, en Kees Brabander genaamd ‘De Drol’. Hoe zal hij aan deze bijnaam gekomen zijn? Vele jaren is Kees doodbidder geweest
Hij ging bij de gestorvene thuis de complete rozenkrans (vijf maal een onze vader en vijfmaal tien weesgegroeten plus de litanie van alle heiligen) voorbidden voor de zielenrust van de overledenen. Een andere bekende die in dat rijtje heeft gewoond, was Jan van Mijntjes, een los werkman. De laatste bewoner in dat rijtje was Piet Mooijman. Die had als laatste alle drie de woninkjes in gebruik. Deze huisjes waren eigendom geworden van Willem Rijkelijkshuizen die er vlak achter tuinde. Verder de Schoolstaat in, aan dezelfde kant, stonden weer drie oude arbeiderswoningen. Deze waren ook via een poort bereikbaar. Deze poort had een gemetselde boog en aan de andere kant stond het zogenaamde arrestantenlokaal voor dronken lieden en landlopers. Door deze poort kwam men op een tamelijk groot erf met een gezamenlijk bleekveld (om op het gras de was te drogen) en enkele schuurtjes. In de voorste woning woonde Jaap Nederpelt. Deze Jaap rookte veel sigaren en dat deed hij altijd met een ‘schaffie’, een mondstukje waarin de sigaar zat. Hij werd om die reden Jaap Schaffie genoemd. De drie woningen stonden L-vormig. In de hoek was de ingang van de tweede woning. Daarin woonde rond 1900 de bekende Willem Zwanenveld. Willem was doorlopend dronken. Na de dood van zijn vrouw werd hij een zwerver. Het laatste van de drie huisjes, om de hoek, viel wat uit de toon, omdat het twee verdiepingen had. Daar woonde in 1880 Frans Vijftigschild. Hij had een paard en wagen en reed met groente en fruit naar Den Haag, waar hij zijn waren uitventte. Hij had een zoon die ook Frans heette. Deze had een lamme hand en werd daarom ‘Lamme Frans’ genoemd. Later is in dat huisje de familie de Brabander komen wonen. Deze drie huisjes, met het oude arrestantenlokaal werden afgebroken. Daarmee verdween een nostalgisch plekje uit ons dorp. Naast deze zojuist besproken pandjes en de ‘Nor’ stond een flinke woning, geheel uit hout opgetrokken. Daarin woonde de bekende Jan Overvliet, de veekoopman, de vader van Kees Overvliet, de slager. Deze is later in de Voorstraat gaan wonen waar nu Kees ter Haar woont. Na Overvliet woonde in dit houten huis Grabel van Bergenhenegouwen en als laatste zijn zoon Janus. Dit pand was inmiddels aangekocht door bakker Maarten van der Burg. Hij wilde zelf het huis afbreken, met het noodlottige gevolg dat hij onder een neerkomende balk de dood vond. Praktisch tegen het houten huis aan stond vervolgens weer een rijtje arbeiderswoninkjes. Daar woonde Frans van Veen, de koeiendrijver. Hij haalde ’s nachts de koeien, schapen of varkens bij de boeren op en dreef ze dan naar de veemarkt in Delft of Rotterdam. Alles lopende, want de auto moest nog worden uitgevonden. Ook bracht hij dan nieuw gekocht vee terug om dat bij de boer of slager thuis te brengen. Dat heeft hij vele jaren gedaan, met zijn zoon Kees, die als bijnaam ‘Kees de Slens’ had. Eveneens in het rijtje woonde de oude Jan Mooijman, van beroep opperman, jarenlang in dienst geweest bij IJsbrand Hagen. In het derde en laatste huisje van dat blok woonde Henk Moen, afkomstig uit Leerdam. Deze kwam samen met zijn broer Kees naar Poeldijk, omdat hier in de tuinderij tamelijk veel werk was.
Als laatste in de rij aan de zuidzijde van de Schoolstraat stonden nog vier woningen. Er was een groot erf, geplaveid met gele steentjes en een waterpomp. Er stonden op dat erf eveneens twee wc’s. Daar moesten de vier gezinnen het gezamenlijk mee doen. Vlak vooraan woonde Gerrit de Brabander ‘De Rot’ genoemd. Hij ving ratten met de blote hand en was schoenlapper van beroep. Naast hem woonde de schipper Dorus de Brabander die ‘De Kwibus’ werd genoemd. Volgens het woordenboek betekent kwibus een zotte vent. Ook woonde er jarenlang Daan van Dijk, die in zijn jonge jaren veldwachter is geweest. De oude woningen zijn weg. Op die plaats stond/staat nu een timmerbedrijf en een schildersbedrijf, respectievelijk van Maree en Mostert.
We gaan nu een kijkje nemen aan de andere kant van de Schoolstraat. In de hoek op het meest zuidelijke punt, was de achteruitgang van het huis van de familie Zuiderwijk gevestigd. Daarnaast de achteruitgang van het café van Daan van Dijk. Vervolgens naast een doorgang, deze liep van de Schoolstraat naar de Voorstraat, stond het huis van de oude Piet van Dijk, ook varkensslachter. Er was in dat pand een raam aan de kant van de Schoolstraat. In de winter kon men door dit raam de tonnetjes zien staan met de varkenssnuiten. Van elk geslacht varken kreeg hij als slachter traditiegetrouw altijd het snuitje. Naast dit slopje stond nog een klein huisje dat de toegang in de Schoolstraat had. Daar woonde een familie Hersbach. Het waren oude mensen, zonder kinderen, die wel van een borreltje hielden. Zelfs de vrouwtjes uit de buurt kwamen vaak ‘s middags bij elkaar. Niet voor een kopje thee, maar men lapte elk tien cent, dan had men de theepot vol jenever. En dit dan drinken uit theekopjes. Dat dit er zo aan toe ging was een kapelaan van Poeldijk te weten gekomen. Hij ging toen maar eens even op bezoek en de vrouwtjes zaten gezellig om de tafel toen de kapelaan binnenkwam. Hij zei: ”Zo vrouwtjes, gezellig aan het theedrinken”? Hij maakte een praatje en vroeg of hij ook een kopje thee kon krijgen. Ze zeiden, dat dit wel zou kunnen, maar ze zaten aan het ondereind van de pot. Hij lichtte toen zelf het deksel van de theepot en kwam toen uiteraard tot de ontdekking dat er jenever in zat. Dat gaf een consternatie. Toch was het wel te begrijpen en kon men het de vrouwtjes niet kwalijk nemen. Er was altijd armoe en men kreeg kind op kind, waarvan er velen in het eerste levensjaar al stierven.
Nog een arbeidershuisje stond er naast de achteringang van de openbare lagere school. Daar woonde in 1890 de huisschilder Martinus Delfgauw. Hij was een zoon van de bekende schilder Gerrit Delfgauw. Later kwam in dit huisje nog een aantal jaren Servaas Nederpelt te wonen. We gaan nu het Schoolstraatje uit, waarvan op dit moment alle huisjes zijn afgebroken.
Zo heeft u even in het oudste, drukste en smalste straatje van het Poeldijk van toen kunnen rondkijken. Het straatje is er nog altijd. Als u even de tijd hebt, loop er dan eens door en ga dan met uw gedachten zo’n 150 jaar terug in de tijd.
De Poeldijkse Vaart, ‘Het Vlot’.
Zoals ieder Westlands dorp had ook Poeldijk een haven of vaart. Een haventje waar de producten en materialen via water een dorp binnen kwamen of verlieten. Eeuwen lang was de Poeldijkse vaart, in de volksmond ‘Vlot” genoemd, een van de meest bedrijvige plekjes van het dorp. Alle goederen werden immers aan-en afgevoerd via het water. De Poeldijkse dorpshaven was een aftakking van het riviertje de Gantel, en stroomde tot in het hart van het dorp. Het water stroomde tot dertig meter van het centrum, de tegenwoordige Voorstraat.

Wat zouden deze mensen bijeen gebracht hebben en waar spraken zij over zo rond 1880? De Poeldijkse Vaart met brug richting kerkslop. Daarachter het timmermansbedrijf van Scheffers later van der Knaap. Op de foto rechts van Scheffers had de herbergier Waardeloo achter zijn zaak een scheepswerfje. In 2001 zijn er appartementen gebouwd.
Daar maakte het water een bocht naar rechts achter de huizen van de Voorstraat langs tot de huizen van de Kerklaan. Door de bocht naar rechts, waar nu in het jaar 2000 appartementen worden gebouwd, was langs het water in de 18e eeuw als eerste gevestigd de meester timmerman Frederick Scheffers met zijn timmerwerkplaats en opslagruimte. Frederick was een scheepstimmerman die rond 1740 met een boot was vastgelopen op het strand van Ter Heijde en zich later als timmerman vestigde in Poeldijk. Naast dit timmermansbedrijf was rond 1900 een scheepswerf van A Waardeloo. Deze scheepswerf was gelegen op de plaats achter het toenmalige café De Zwaan van A.J.van Rest. Naast de scheepswerf was de opslag van de metselaar Ysbrand Hagen. En helemaal tegen de Kerklaan aan bevonden zich de schuren van de turf- en groentenhandelaar Jan de Bruin. In deze schuren heeft Klaas Vis later tientallen jaren een fietsenzaak gedreven.
De heer Th. Luiten, bakker, vertelde in de Westlandsche Courant onder de rubliek ‘Westland toen en nu’ wat deze Vaart voor de gemeenschap van Poeldijk tot 1925 heeft betekend. Vele boten, westlanders en pramen, voerden eeuwen lang allerhande materialen af en aan. Werd er in Poeldijk een huis of anders gebouw gebouwd dan was dat aan de Vaart zichtbaar. Het bouwen ging vaak in een record tempo. Het eerste deel van het St. Jozefhuis werd zo vlug gebouwd ( in 1893) dat na vier weken de pannen al op het dak lagen. Huizen in de vroegere Leuningjes werden er ook zo maar even vlug neergezet, Aan riolering werd niet gedacht.
De Vaart heeft heel wat op zijn geweten al was het alleen al om de vieze smerige straten. ‘s Avonds om tien uur ging de beerkar rijden. De beerkar, voortgetrokken door een paard, was een houten bak, met losse deksels, op vier wielen zonder veren waarin de beertonnen van de huizen werden geleegd. Eenmaal bij de schuit in de vaart gekomen trok men de achterschuif omhoog en de lading beer liep in de schuit.
Als er een tuinder in het dorp Schiedammer (natte koemest) moest hebben dan werd het per houten kruiwagen vanaf de Vaart door het dorp naar diens tuin gereden. Was de schuit eenmaal leeg, dan was van de ongeveer 15 ton mest zeker een ton op straat gemorst. De mest werd dan ruw aangeschrapt, soms met zand gemengd en de rest moest de regen maar wegspoelen. Een ondragelijke lucht was het gevolg. Als er iemand ernstig ziek was langs de route, werd er wel eens stro op de weg gelegd om de zieke het geluid van de ratelende karren te besparen.
Van de andere kant was de haven ook een bron van vreugde. Eén keer per jaar werd er kermis gevierd in Poeldijk. Het woord kermis is afgeleid van ‘kerkmis’. De jaarlijkse viering van de wijding van het kerkgebouw. De kermis attributen kwamen altijd per schuit en meerden aan in de Poeldijkse Vaart. Vooraan lag altijd de boot van de poffertjeskraam. Daarachter die van de draaimolen en de anderen attributen. Sommige kermistenten werden over de sloten gebouwd om niet te veel in de weg te staan.
We gaan nu kijken wie er zoal vroeger aan de westzijde van de Poeldijkse Vaart hebben gewoond. We beginnen waarin 1840 het schoolplein was. Vanaf het plein rechts bij het pand op de hoek van de Schoolstraat en de Poeldijkse Vaart. Dit pand was in het bezit van bakker Bom. Het was een hoog pand, drie verdiepingen hoog, met een puntgevel. Het bovenste gedeelte werd gebruikt als meelzolder. De zakken meel werden naar boven getakeld en daar bewaard. Rond 1895 deden zij de zaak aan kant en die werd overgenomen door Jan Luijten, afkomstig van Monster. Deze heeft tientallen jaren met een hoge hondenkar, of met de broodmand op de nek zijn klanten van brood voorzien. Rond 1950 werd het Henk Bom die alles overnam en daar de broden bakte. Nu in het jaar 2000 is het een bloemen zaak.
Grenzend aan deze bakkerij richting Gantel stond een burgerhuis met een zadeldak. Dit type huis is een aantal jaren, zo rond 1850 in de mode geweest. In dit burgerhuis woonde rond 1860 de familie Lunenburg. De rentenierende Luneburg was vroeger boer geweest in de dorpsboerderij die aan het begin van de Leuningjes stond. Omstreeks 1900 kwam daar Michiel van der Hark wonen. Hij was boer geweest aan de Nieuweweg en gedurende 35 jaar wethouder. Hij bewoonde dat huis voor 14 jaar tot aan zijn dood.
De volgende eigenaar werd Theodorus de Brabander, in de volksmond “De Kwibus” genoemd, die eerst zandschipper was en later kolenhandelaar werd. Zijn zoon Theo (Dorus) heeft later zaak en pand overgenomen. Jaren later stapte men in het Westland over van kolen op olie en is hij overgestapt naar de oliehandel. Naast dit pand stond het huisje van Gerard Knaap, gebouwd in 1905 die tuinder was geweest aan het Stikkie. De volgende bewoner werd de metselaar Piet Samwel, die weer werd opgevolgd door Dorus Brabander. In 1936 vestigde zich in dat huisje een tweede arts voor Poeldijk, namelijk dokter de Lange. Na enige jaren werd het huis aan de Vaart te klein en verhuisde de familie de Lange naar de Voorstraat. De volgende bewoners, de familie Unkel, met de verloskundige Mej. L van Unkel hebben er toen acht jaar in gewoond. Daarna kwam in het huis de bekende Jan Barendse die er -tot aan zijn dood- in heeft gewoond.
Het volgende huis was het pand dat al in 1855 een café en metselbedrijf was van George Witkamp. Zijn zoon David die de zaak van zijn ouders over nam, was een bekend figuur in de dorpsgemeenschap. Hij is jarenlang lid van de gemeenteraad van Monster geweest. Het café was een trefpunt van tuinders en schippers. Vooral op de zaterdagavond kon men praktisch van een beurs spreken. De tuinders bestelden er mest of zand of vonden er een baggerman of losse arbeider. Ook in dit café zijn nog verschillende jaren tuinbouw-producten geveild. Toen Witkamp ouder werd en geen opvolger had, deed hij zijn metselbedrijf over aan Piet Samwel. Het café verkocht hij aan Frans van Bergenhenegouwen, met de bijnaam: “De Klos “. Deze bijnaam had hij te danken aan zijn vader, die liep zeven dagen van de week op klompen. Verschillende jaren heeft van Bergenhenegouwen aan de Vaart gewoond en daar zijn café gehad. In 1913 verhuisde hij naar een café-restaurant langs het water aan de Nieuweweg. Het gezin was nogal muzilaal. Er was dan ook s’avonds en in het weekend vaak acoordeon en piano muziek, waarbij de gasten gezellig meezongen. Dit bracht een gezellig sfeer en een volle zaak. In 1930 moest het café-restaurant het veld ruimen voor de verbreding van de Nieuweweg. Op nog geen honderd meter afstand, richting Voorstraat, liet hij een prachtig hotel bouwen. Het hotel kreeg voor Poeldijk de toepasselijk naam ‘Hotel Verburch’. In de volksmond: Hotel de Klos, het tegenwoordige Chinees Indisch restaurant ‘Kantonpaleis’.
Na zijn vertrek kwam een zekere Henk Tanke in dit pand aan de Vaart wonen en het café bleef gesloten. Deze Tanke was vroeger bakker geweest in Poeldijk. Henk ging, met paard en wagen, krullen en zaagsel verkopen bij de bakkers in het Westland. Op 15 augustus 1924 is hij met paard en wagen in het water terechtgekomen en verdronken. Later toen de vrachtauto in zwang kwam is het bedrijf door zijn kinderen tot een groot expeditiebedrijf uitgegroeid. Achter het café met huis hebben tot 1900 nog een viertal arbeiderswoningen gestaan, gelegen achter de huizen van de Schoolstraat.
In het volgende huisje aan de Vaart, woonde in de vorige eeuw Phillip Boezak. Zo rond 1880 was hij daar barbier en kleermaker. Hij was een onverschillige vechtersbaas. Dit werd hem noodlottig. Aan de Sammersbrug kreeg hij zo’n pak slaag, dat hij voor zijn verdere leven invalide is gebleven. Jaren lang werden nog, in geuren en kleuren, zijn boevenstreken aan de jeugd doorverteld. Rond 1915 heeft de timmerman Janus Knaap, afkomstig van Kwintsheul er in gewoond. Het huisje is later door verschillende gezinnen bewoond, totdat het in 1968 werd afgebroken voor de sanering van de Vaart.

De Poeldijkse Vaart richting Gantel. Op de voorgrond het huis met schuit van de turf en later de kolenhandelaar Jan Paalvast
Het daarnaast gelegen huis met diverse schuren, was sinds 1850 eigendom van Arie Paalvast. Deze had de bijnaam ‘Aai Foen’. De bijnaam Foen is afgeleid van boen omdat schipper Paalvast dagelijks zijn schuit (Westlander) aan het boenen was. De Paalvasten waren oorspronkelijk beurtschippers op Delft, Schiedam en Rotterdam. Daarnaast hadden ze een handel in brandstoffen, onder meer turf dat vroeger veel werd gebruikt. Het voor de Vaart zo karakteristieke huis uit de 18e eeuw met poortje en schuren is onder de slopershamer gevallen. Over deze plaats loopt nu de Rijsenburgerweg.
Voorbij het pand van de familie Paalvast stond vroeger een zogenaamde gemeente-asschuur. Daarin werd koolas opgeslagen, dat in de winter kon worden gebruikt voor het bestrooien van gladde straten en paden. Later werd hij gebruikt als opslagplaats voor Openbare Werken. Wij noemden het de schuur van Jan Pet. Dat was Jan Elswijk, een zeer plichtsgetrouw ambtenaar van Openbare Werken die altijd zijn dienstpet droeg.
Grenzend aan deze asschuur, stond eveneens een tuindersschuur behorende bij de achterliggende tuin. Naast deze schuur was een breed pad, waaraan iets naar achteren, het huis van de familie van Kampen stond. Het was een langwerpig tuindershuis uit de 18e eeuw. Rond 1850 woonde er de familie van Kampen. De van Kampens hadden geld en ook veel land in Poeldijk. Jan van Kampen had in 1918 zijn geld in de Coverin gestopt en is met het failliet gaan van de Coverin alles kwijtgeraakt. Jan van Kampen die directeur van de Coverin was, moest zijn tuin en huis verkopen en is in de Sutoriusstraat gaan wonen. De nieuwe koper in 1925 werd Andries van Kester. De tuin en het achterste gedeelte van het huis verhuurde hij aan W.L. Kruijk en het voorste gedeelte van het huis werd verhuurd aan de familie Dobben. In 1934 is er de zoon, Koos van Kester gaan wonen en tuinen. Nog verder naar de Gantel woonde rond 1890 de handelaar Piet van der Knaap. Daar woont nu de familie Maat. Tot in de jaren ruim na de Tweede Wereldoorlog werd de Poeldijkse Vaart nog regelmatig gebruikt. In 1970 werd het water van deze Vaart in z’n geheel gedempt. De Poeldijkse Vaart, waar het schippershart eeuwen klopte, moest wijken voor het vervoer van de nieuwe tijd, de auto.
De Voorstraat
De Herenlaan, later de Voorstraat, is al heel oud. Het zou te ver voeren om deze ook uitvoerig te beschrijven al ontbreken mij de namen van de bewoners rond 1850 niet. Wel kan men stellen dat de Voorstraat altijd als centrumfunctie heeft gefungeerd. In het dorpsblad ‘De Poeldijker’ toont Koos van Leeuwen regelmatig prachtige dorpsgezichten waarin de Voorstraat uitblinkt met zijn vele winkeltjes, ambachtelijke bedrijfjes en herbergen.

Een gedeelte van de Voorstraat rond 1885. Van rechts naar links het huis Hein Scheffers, de melkwinkel van Kees van der Voort, De herberg ‘De Zwaan van de familie Waardeloo, later van Staveren en na de Tweede Wereldoorlog Antoon van Bueren nu partycentrum ‘De Vrienden’ Dan de schoenmakerij de Brabander, Bakker van Kleef nu van der Sanden, en het herenhuis van Goeienbier De’Erkennen, later de woning van IJsbrand Haagen en boven alles uit de toren van de in 1926 afgebroken voorlaatste Bartholomeuskerk.
Er waren zelfs huizen die slechts via pittoreske bruggetjes te bereiken waren. De Voorstraat is een straat die voor de moderne tijd nooit goed tot ontplooiing is gekomen. Al ontbrak het de middenstand niet aan visie. Al direct na de Tweede Wereldoorlog waren er plannen te over bij de Poeldijkse middenstand wat de Voorstraat betreft. Eerst wilden ze de winkels aan de Gantelkant van de Voorstraat over de lengte van de Schoolstraat afbreken. Ook de bouwvallige en onbewoonbaarverklaarde huisjes in het zogenaamde ‘Slopje’ slopen. Dit alles om een nieuw, breed dorpscentrum te creëren, door winkels en daarboven woonhuizen te bouwen. Dit op de plaats waar de huisjes van het Schoolstraatje stonden. Dit plan kon men niet van de grond krijgen. De tijd was er schijnbaar niet rijp voor. Ook het tweede plan dat in 1957 volgde is nooit van de grond gekomen. In het tweede plan wilde de Poeldijkse middenstand de meisjeskleuterschool en het zustershuis, dat door de inspectie van onderwijs was afgekeurd, met bijbehorende grond kopen. Op dat perceel grond wilde men een groot winkelcomplex bouwen. Daarbij een ontspanningsgebouw, bestaande uit één grote zaal geschikt voor uitvoeringen en dergelijke. Een zaal met een capaciteit voor ongeveer 500 personen. Met daarbij enkele belendende vertrekken, geschikt als vergaderruimte, voor jeugd en verenigingswerk. Niets van dit alles is waar gemaakt. De middenstand is als een weeskind in Poeldijk achtergebleven, verdeeld over de Jan Barendselaan, Irenestraat en de Voorstraat. Alleen het verzoekschrift, dat namens de Poeldijkse middenstandsvereniging werd ondertekend door de heer J.P. Heskes wonende Dr.Weitjenslaan 18, is bewaard gebleven.

Deze prachtige foto is van de trotse poeldijker jan greve. De kiek dateert uit 1945. Hij geeft enerszijds de kleding weer die bij de geest van de tijd paste, nog zo kort na de tweede wereldoorlog. En anderszijds hoe moeder van een totale versleten kiel en broek weer deugdelijke werkkleding maakte.
