Hoofdstuk
XVIII
De Rederijkerskamer
Cultuur heeft door de eeuwen heen een grote invloed en macht gehad op de levenswijze van mens en maatschappij. In de 16e en 17e eeuw heeft de Rederijkerskamer een belangrijke rol gespeeld in het culturele leven van Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland. Ook Poeldijk was van de partij. Rederijkers waren intellectuelen. Zij hielden zich bezig met het schrijven en voordragen van toneelstukken, gedichten en liedjes. Ook het organiseren van officiële plechtigheden, zoals processies, ontvangsten van belangrijke personen en toneelwedstrijden, behoorden tot hun taken. Zij werden in hun werk financieel gesteund door kerk en overheid. De inhoud van hun werk mocht niet een al te kritische toon laten horen. Aangenomen wordt dat de Rederijkerskamers via hun werk een aanzienlijk invloed hebben gehad bij de totstandkoming van de Reformatie.
Het Westland bezat in 1546 al drie actieve ‘Kamers’: De Geele Fiolette uit ‘sGravenzande, De Blauwe Wijngeartrancken uit Monster en De Jerichoos Roos uit Naaldwijk. De andere dorpen in het Westland volgden later met een Kamer.
In een grafelijkheidrekening van 1564 wordt melding gemaakt van een ketters toneelstuk, dat in Poeldijk zou zijn opgevoerd. Of dit door een Poeldijkse Kamer is uitgevoerd, wordt niet vermeld.
Een Rederijkerskamer was ingericht als een gilde en werd dienovereenkomstig bestuurd. Aan het hoofd stond een prins of keizer. Vervolgens waren er hoofdlieden, raadslieden, vaandrigs en broeders.
De Poeldijkse kamer werkte onder de fraaie naam ‘De Terwebloem’ met de even mooie zinspreuk ‘Door Liefde Bloeyende’. Poeldijkse rederijkers oefenden waarschijnlijk in de herberg ‘De Hollandse Tuyn’ van Pieter Arentz van der Valck, gelegen in de tegenwoordige Voorstraat.
De familie Van der Valck had in de middeleeuwen bij de Poeldijkers aanzien en invloed. Zij bezaten in die dagen de hofstede Arckelsteijn, het fraaie kasteeltje Torenzicht, de herberg De Hollandse Tuyn en verschillende boomgaarden.
De Poeldijkse schrijver, Jacob Jansz. van der Valck schreef het toneelstuk genaamd ‘Al doende leer ick’, waarmee de Poeldijkse rederijkers in de omliggende dorpen en steden aan wedstrijden deelnamen. Het was een vorm van vermaak dat erg geliefd was bij het volk. In het begin speelden ze stukken die belerend en stichtend waren. Later werden het kritische stukken over machtsmisbruik, corruptie, de pastoor, aflatenhandel, de schout en de baljuw. Het waren vooral de Poeldijkse spelers L. W. van der Zalm, Jacob van der Valck, Cornelis van der Valck en Simon van der Valck die met een gedicht, een klucht of een lied aan wedstrijden deelnamen.
Oefeningen en uitvoeringen moesten op zondag, de vrije dag, plaatsvinden. De rederijkers trokken dan met trommel, vaandel en eventueel blazoen in optocht door het dorp. Ook maakten zij met paard en wagen uitstapjes naar de Kamers in omliggende plaatsen. Retorische hoogtepunten in het jaar waren opvoeringen tijdens de kermis, carnavalstijd en Pinksteren. Aan het einde van de 17e eeuw gingen herbergiers rederijkerswedstrijden organiseren in de herbergen.
Iedere Kamer kreeg bij zijn officiële erkenning (doop) een eigen blazoen (schilderij). Jammer dat het Poeldijkse blazoen van de aardbodem verdwenen is. We zijn zeer gecharmeerd van het blazoen van de Monsterse kamer ‘De Blauwe Wijngaertrancken’, dat wel bewaard is gebleven. Dit hangt te pronken in het Monsterse gemeentehuis. Het is een ruitvormig paneel dat uit 1685 stamt. In de lijst staat een bijzonder interessant vierregelig rijm:
’t Juweel daar wy mee Proncken ( Juweel = blazoen)
Notabel en de lent ( Ient = lieftallig)
Is ons Jonstigh Geschonken
Tot Dordreght Excelent Ao 1548
De rederijkerskamer van anno 2000 is de Poeldijkse toneelvereniging Sint Genesius. Bijna een eeuw oud. Sinds 1906. Een verslagboek met leuke foto’s uit de vroegere toneeljaren bevindt zich in het RK parochiearchief. Generaties lang hebben spelers op toneel een cultureel hoogstandje geleverd waarvan enorm is genoten. Proficiat!
Het Zusterhuis en de scholen
Aan het begin van de Voorstraat stond aan de zuidzijde een opvallend grote woning uit de achttiende eeuw. De enige woning met een rechtopgaande eerste verdieping en met een hardstenen stoep ervoor; opvallend in de destijds trottoirloze straat. Daar woonde rond 1865 Petrus Goeijenbier en zijn vrouw Maria Elisabeth d’Erkenne. Het echtpaar had geen kinderen. Petrus Goeijenbier stond bekend als een vermogend man en was een vooraanstaand dorpsgenoot. Tegenover de woning aan de noordzijde van de Voorstraat had Goeijnbier een zogenaamd renteniertuintje. Dit tuintje was afgescheiden van de Voorstraat door een moddersloot. Zoals zoveel sloten in de vorige eeuw werd ook dit slootje gebruikt voor de opvang en afvoer van het afvalwater. Het tuintje dat hij geërfd had van zijn broer Jacob, was ongeveer 940 vierkante meter groot met enkele druivenmuren en veel fruitbomen.
Dit renteniertuintje werd een zeer markant punt voor de Poeldijkse samenleving, in het bijzonder voor het R.K. onderwijs.
Er was in die tijd in Poeldijk maar één school, een gemeenteschool, die bezocht werd door de meeste jongens en meisjes uit het dorp. Er was toen nog geen leerplicht. Ondanks het ontbreken van de leerplicht ging er toch een zeer groot percentage van de kinderen in Poeldijk een aantal jaren naar school. Al gold het voor velen dat ze alleen in de wintermaanden de school bezochten.
Na het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie in Nederland, in 1853, kwam er meer structuur in het kerkelijke bestuur. Er ontstond een streven om zoveel mogelijk kinderen van geloofsgenoten onderwijs te geven op katholieke basis gestoeld. Zo schreef het dekenaat al in 1853 de pastoors aan via een circulaire. Hierin werd hen jaarlijks tien gulden aangeboden om het de behoeftige kinderen mogelijk te maken te leren lezen. Een aanbieding overigens met een discutabele moraal. Kinderen afkomstig uit gemengde huwelijken mochten er niet van profiteren! Voor zover meisjes naar school gingen, kregen ze geen enkele opleiding op huishoudelijk gebied. Voor de kleuters was er in die tijd ook nog geen bewaarschool.
De toenmalige pastoor van Poeldijk, Th. van de Moor, was een vurig voorstander van verbetering van de bestaande situatie. Hij was van mening dat er een bewaarschool, een lagere meisjesschool en een school voor vrouwelijke handwerken moest komen. Om dit te realiseren nam hij al in 1867 contact op met de Congregatie van de Zusters van Liefde te Oudenbosch en enkele andere kloostergemeenschappen. Hen werd gevraagd of ze eventueel bereid waren de gewenste school van geschikte leerkrachten te voorzien. Allereerst was het moeilijk een passende financiering te vinden welke de plannen die vooral uit de koker van pastoor Van de Moor kwamen. Het parochieel kerkbestuur was hierover sterk verdeeld. Men vond de financiële basis te zwak. Dit bracht het toenmalige bisdom van Haarlem ertoe een brief aan het kerkbestuur te schrijven, waarin werd gesteld, dat niet met de plannen werd ingestemd. Het geld dat inmiddels voor het doel beschikbaar was - naar later bleek f. 1.700, -- moest men maar in depot houden en rentegevend maken. Later zou men wellicht tot realisatie kunnen komen. En zo bleef de situatie in Poeldijk ongewijzigd.
Op 2 januari 1874 passeerde bij notaris Metman te Wateringen een akte van schenking. Hierin bevestigde Pieter Goeijenbier Jac.z aan de parochie van de Heilige Bartholomeus te Poeldijk dat hij een perceel tuinland -zijn rentenierstuintje- schonk. Deze schenking diende zowel bisschoppelijke als koninklijke goedkeuring te krijgen en dat lukte. Zodoende kon op 27 maart 1874 de akte voor aanvaarding van de schenking worden getekend. Toen beschikte de parochie over een voldoende groot en goed gelegen perceel voor de bouw van de gewenste scholen en een onderkomen voor de zusters. Dit complex zou nog tientallen jaren de naam Liefdesgesticht dragen.
Het was intussen echter niet gebleven bij de schenking van de grond. Op 7 januari 1874 schreef P Goeijenbier Jac.z. onder getuige de volgende verklaring.
“Ter ere Gods en tot lafenis der ziel van mijnen waarden broeder en die, de overigen leden mijner geachte familie, beloof ik Peter Goeijenbier Jacobzoon en ik verbind mij bij deze en in geval dat noodt ook mijne rechtverkrijgende, ten dienste der Parochiële Kerk in Poeldijk. Al de kosten van de bouw en inrichting van een gesticht alhier met een kapel en alles wat daartoe behoort voor mijn rekening te nemen. Ook de bouw en inrichting. Alles te zullen betalen tot een Som van twintig duizend gulden. Blijvende wat die Som te boven gaat en verder onderhoud ten laste van de kerk. Voornoemd, P. Goeijenbier Jz.
Aldus den 9 januari 1874 te Poeldijk in tegenwoordigheid der ondertekenden getuigen.
Th. Pauwels
P. van der Knaap Az.
Th. van de Moor, pastoor.
Op 27 mei 1874 kwam de stichting tot stand die voor de realisering van het complex voor het onderwijs en het onderkomen van de zusters zorgde.
Men kon aan het werk gaan en men deed dit voortvarend. De architect H. J. van den Brink werd aangezocht een ontwerp te maken. De plaatselijke timmerman, aannemer Piet Scheffers, werd gevraagd een offerte uit te brengen. Hij deed dit op 13 juli 1874. De aannemerssom bedroeg F 19.140,-- Als borg voor de goede uitvoering werd de offerte mede ondertekend door J. Scheffers, de vader van de aannemer en Willem Witkamp Jzn. Het werk werd aan Scheffers gegund, maar in de praktijk bleek later, dat vooral Witkamp en zijn mensen veruit het meeste werk zouden uitvoeren. De aanvankelijke opzet bleek echter niet helemaal te voldoen aan de diverse wensen die er waren. Daardoor moesten er de nodige aanpassingen plaatsvinden. De totale kosten gingen boven het door Goeijenbier gestelde maximum van f. 20.000,--. Het potje van f. 1.700,-- van weleer, dat in depot was gehouden, moest worden aangesproken.

Meisjesschool aan de Voorstraat
Op 3 mei 1875 arriveerden de eerste eerwaarde zusters Franciscanessen van Oudenbosch in Poeldijk. Het waren er vijf, te weten: Sr. Anselma Plasschaert, Sr. Huberta Bouman, Sr. Ambrosia van der Riet, Sr. Gerarda Bax en Sr. Lidwina Pijl. De band tussen school en kerk zou vele jaren zeer hecht worden want tot de taken van de zusters behoorde ‘het geven van onderricht (woord- en zinverklaring) aan de jongens en meisjes in de catechismus. Ook op bestuurlijk vlak vormden het onderwijs en de parochie een eenheid. Het kerkbestuur was tevens het schoolbestuur. Op 22 juli 1875 werd met de bewaarschool begonnen en aansluitend huishoudonderwijs aan de meisjes.
Intussen werden pogingen in het werk gesteld ook een lagere school voor meisjes in het complex te vestigen. Het duurde nog bijna een jaar voordat met een lagere school voor meisjes werd begonnen. De opening van de school was op 2 april 1876. In dat jaar kwam ook de inrichting van de huiskapel gereed. Een kapel die vele katholieken uit Poeldijk in de loop der jaren hebben leren kennen. Met Kerstmis bezochten velen de grote kerststal met bijna levensgrote beelden die stonden opgesteld. Vele jaren voldeed het Liefdesgesticht aan de behoeften.

Het huis met stoep er voor van de fam. Goeijnbier d’Erkenne. Voor die tijd een opvallende woning met een rechtopgaande eerste verdieping. Recht er tegenover, met boom er voor, het meisjesschool en zustershuis. Op de achtergrond de gemeenteschool links en rechts het huis van Dr. Weitjens later Dr. ter Haar.
Er bleef een bewaarschool voor jongens en meisjes, een naaischool en een lagere meisjesschool in gevestigd. Maar op den duur - ondanks enige uitbreiding in het begin van de 20e eeuw - toch te beperkt. In 1928 werd er, aansluitend aan het complex in noordoostelijke richting, een geheel nieuwe meisjesschool bijgebouwd.
Ook namen de zusters de verzorging van de bejaarden op zich. Tot dat moment was er in Poeldijk alleen maar een eenvoudig armenhuis. Het eerste bejaardenhuis werd naast de voormalige pastorie aan de Voorstraat gebouwd en kreeg de naam St. Jozefhuis. Daarbij werd tegelijkertijd een vleugel ingericht voor de kliniek van het Wit-gele-Kruis: consultatiebureau enz. Ook de zorg daarvoor namen de zusters op zich.
Door het steeds verder teruglopen van kloosterroepingen na de Tweede Wereldoorlog zagen de zusters geen kans meer leerkrachten voor de school in Poeldijk beschikbaar te stellen. Ze waren genoodzaakt zich van hun liefdeswerk uit Poeldijk terug te trekken. In 1965 verhuisden de zusters naar een aangekocht pand op de hoek van de Dr. Weitjenslaan en de Nieuweweg. Daar werd een kapel bijgebouwd. In dit zusterhuis hebben ze nog tientallen jaren gewoond. Met het verdwijnen van de zusters in 1980 verdween ook een stukje geschiedenis uit Poeldijk.
Het echtpaar Goeijenbier-d’Erkenne, dat de realisatie van het Liefdesgesticht mogelijk maakte, bleef niet in Poeldijk wonen. Rond 1885 vertrokken zij naar Vrijenban bij Delft. Daar overleed Petrus Goeijenbier Jac.z. op 10 mei 1897 in de leeftijd van 82 jaar. Daarmee was de goede bemoeienis met het Liefdesgesticht nog niet afgelopen. In 1902 vestigde de weduwe Goeijenbier een lijfrente van f. 15.000,-- op het Liefdesgesticht. Tot haar dood moest dan jaarlijks 4% van dit bedrag, f. 600,-- aan haar worden uitbetaald. Bij haar overlijden zou het bedrag dan aan het Liefdesgesticht vervallen, dit tot voordeel van de kinderen die de school van de zusters bezochten.
Het markante pand in Poeldijk, tegenover de zustersschool, waar het echtpaar Goeijenbier woonde, werd bij hun vertrek naar Vrijenban verkocht. Koper was de metselaar IJsbrand Hagen afkomstig uit Wateringen. Deze bouwde achter het huis, dat toen ook nog via de Poeldijkse Vaart bereikbaar was, een flinke werkplaats met daarbij een opslagplaats voor bouwmaterialen. In 1910 ging hij echter failliet en kwam het pand in handen van zijn zwager Verbakel. Die was in Wateringen smid en rijwielhersteller, een combinatie die in die jaren heel gewoon was. Een gedeelte van het pand werd als woning verhuurd en vele jaren woonde daar de oude koster Leen Haaster. In het resterende gedeelte en in de werkplaats kwam een knecht van Verbakel, namelijk Klaas Vis, die er een rijwielhandel en reparatiewerkplaats in vestigde. In 1932 werd het pand verkocht aan de zaadhandel Vogelaar. Die brak het oude gebouw geheel af en bouwde er een woning met winkel en garage. Later ook een grote zaadopslagplaats. Hoewel Vogelaar inmiddels ook is vertrokken, staat dat pand nu nog steeds op de plaats van waaruit het echtpaar Goeijenbier de stichting van een meisjesschool in Poeldijk heeft helpen realiseren.
Na tachtig jaar intensief gebruik te hebben gemaakt van de zusterschool aan de Voorstraat stond de Geneeskundige Inspecteur van de Volksgezondheid in 1955 voor de deur. Het resultaat van hun bevindingen loog er niet om.
Het inspectierapport vertelt dat er in drie lokalen van de kleuterschool 84 leerlingen per vertrek zaten. Haast niet te geloven! De lokalen waren 7 meter lang 6,75 meter breed en 4,40 meter hoog. Er was geen apart speellokaal. Bij elk lokaal waren vier zogenaamde pleetjes en twee urinoirs zonder waterspoeling, met gordijntjes er voor, terwijl de ramen met planken waren dichtgemaakt. Er hing een hinderlijke stank en de muren waren nat. De kleuterschool werd ter plaatse afgekeurd. Het parochiebestuur en gemeente kregen nog maar een korte tijd om nieuwbouw te realiseren.
Van het gehele pand is een klein monumentaal gedeelte overgebleven, waar thans een regionaal opleidingscentrum in is gevestigd, met de naam ‘Dario Fo college’. In de hal is nog een herdenkingsplaat te lezen van de vroegere schenkers en stichters van de kleuter- en meisjesschool aan de Voorstraat.