Hoofdstuk VI

 

Bank en Geld

 

Als je het woord ‘bank’ hoort moet je automatisch aan geld denken. Voordat we in de geschiedenis van het Poeldijkse bankwezen duiken gaan we eerst even naar het ontstaan van het geld en hoe men aan de naam ‘bank’ kwam.

Men hield er vroeger dieren op na en verbouwde gewassen om zoveel mogelijk in zijn eigen levensbehoeften te kunnen voorzien. Alleen al de kwetsbaarheid voor misoogsten en ziekten maakte dat voortdurend goederen van elders gezocht werden. De ruilhandel die daaruit ontstond leek overzichtelijk, maar was het niet. De ene boer ging bijvoorbeeld met een koe van huis en kwam met wat kippen terug. Een andere boer vertrok met wat kippen en konijnen en kwam door ruilen met een paard thuis. Er waren immers geen vaste waarden. Het werd al een stuk overzichtelijker toen kostbaarheden als tegenwaarden werden gebruikt, bijvoorbeeld zout of sieraden van edelmetaal.

Met de komst van muntgeld was het pas mogelijk vaste waarden af te spreken, bij voorbeeld voor een koe, een zak meel of een schaap. Dit alles betekende duidelijkheid en een enorme stimulans voor de economie. Onze voorouders konden zich nu toeleggen op de productie van specialistische goederen en die verkopen om daarmee andere producten aan te schaffen voor levensonderhoud en bedrijfsvoering. De overgang van goederen als ruilmiddel naar munten als betaalmiddel was niet zo groot. De eerste ‘echte’ munten werden niet geslagen zoals tegenwoordig, maar gegoten. Hiertoe diende een gietmal van aardewerk die met vloeibaar metaal werd gevuld. Niet lang daarna werden deze ‘schijfjes’ voorzien van een stempel met het logo van stad of staat, die het gehalte waarborgde.

In de Middeleeuwen had elke zich respecterende stad haar eigen munten. Handelaars droegen dan zakken met munten van alle mogelijke steden met zich mee. Geldwisselaars zaten, in het centrum van zo’n stad, op een bank om het geld van andere steden, tegen vergoeding, te verwisselen. Dit is de oorsprong van de nu algemene naam ‘Bank’.

Wie geld over had, probeerde dat op een veilige plaats te bewaren en zo tegen diefstal te beschermen. Vaak werden de munten in een aardewerk kruik begraven.  Vele namen van munten die wij tegenwoordig kennen stammen uit de Middeleeuwen. Aan de gouden Florentijnse (Italië) florijn uit de dertiende eeuw, ontleent onze gulden nu nog het  ‘f’- of  ‘fl’.-teken. In 1521 werd de gouden Carolusgulden geslagen. Daarop stond de afbeelding van Keizer Karel V. Tussen 1546 en 1552 werd de zilveren Carolusgulden geslagen met een waarde van twintig stuivers. Met deze Carolusgulden werd de grondslag gelegd voor het muntwezen in de toenmalige Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De naam ‘gulden’ (= gouden) verwees toen al niet meer naar het metaal, maar was al een soortnaam geworden.  Na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden (1816) werd de positie van de gulden door de muntwet bekrachtigd. De gulden bestond toen niet meer uit stuivers en duiten, maar uit 100 centen.

Met de komst van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 werd het geld definitief een nationale zaak. Voortaan hield de staat zich bezig met de uitgifte van geld en met de waardebepaling ervan. In de bijna tweehonderd jaar die volgden heeft de handel in geld een grote vlucht genomen. De eerste echte Nederlandse bankbiljetten werden al in 1814 uitgegeven.

Op 27 september 1936 heeft de Nederlandse regering de Gouden Standaard verlaten. Tot dat moment was de waarde van de gulden gekoppeld aan de hoeveelheid goud. De waarde van het geld werd voortaan louter bepaald door de economische positie van het land.

In tijden dat er onvoldoende edelmetaal voorhanden was om er munten van te kunnen slaan, had men iets anders nodig om er mee te kunnen betalen. Zo is er in Nederland op verschillende momenten heel bijzonder geld gemaakt. Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld lieten de Duitsers zinken munten slaan, omdat alle kostbare metalen werden gebruikt voor de oorlogsindustrie

De Tweede Wereldoorlog had de waarde van het geld uit balans gebracht. Er was veel zwart geld onder de mensen. In juli 1945 moesten alle Nederlanders hun honderd guldenbiljetten inleveren en in september ook de andere waarden, om het geld te zuiveren van oorlogswinsten. Al het geld werd bij de banken geblokkeerd en iedere inwoner zat in feite even zonder geld. Pas in het eerstvolgende loonzakje zou nieuw papiergeld zitten. Om alvast het meest noodzakelijke te kunnen kopen, ontving iedereen tien gulden cadeau, van de Nederlandse staat. Deze ging later de geschiedenis in als het ‘tientje van Lieftinck’, de toenmalige minister van financiën. Overigens kreeg men niet, zoals vaak wordt gedacht een biljet van tien gulden, maar twee biljetten van 2,5 gulden en vijf van een gulden. De gulden heeft altijd de bijnaam ‘piek’ gehad. Die bijnaam stamt uit de tijd dat er op de gulden een afbeelding stond van een dame met een puntige lans. Zo werd tweehonderd jaar later het biljet van honderd gulden, waar een snip op te zien was, naar die vogel genoemd. En de gulden noemen wij nog steeds een ‘piek’. We doen ook nog steeds een duit in het zakje terwijl dit koperen muntstuk, vroeger een achtste stuiver, al sinds 1823 uit de roulatie is.

Rond 1950 begon de opmars van het girale geld; geld dat van de ene naar de andere bankrekening kon worden overgeboekt. Eerst werden de lonen van bijvoorbeeld de Poeldijkse werknemer en de veilinggelden van de geveilde producten aan de tuinder contant uitbetaald. In de jaren zestig van de twintigste eeuw maakte het uitbetalen snel plaats voor overschrijving op bank- of girorekening. In 1982 werd vanwege de hoge aanmaakkosten de cent afgeschaft en in 1989 werd de eerste geldautomaat geïnstalleerd. Binnen de kortste keren werd pinnen en chippen de gewoonste zaak van de wereld.

In 1999 is er een begin gemaakt met de afschaffing van de nationale munt, de gulden, en een begin gemaakt met de invoering van de euromunt, die in de Europese Unie het wettelijk betaalmiddel wordt.  Januari 1999 werd de waarde van de euro als munteenheid vastgesteld. De euro werd toen ingevoerd op de beurs en in het bankgiroverkeer.

In Januari 2002, volgt de invoering van euromunten en- bankbiljetten,. De Hollandse gulden veranderd in een klap in een museumstuk en rinkelen de kassa’s alleen nog met euro’s

Een boerenleenbank in Poeldijk

Poeldijk was in de negentiende eeuw een agrarisch dorp waar de pastoor met zijn kapelaans een duidelijke invloed op het maatschappelijk leven hadden. De Poeldijkse dorpsgemeenschap was voor een groot deel afhankelijk van zo’n kleine honderd tuinderijen. Enkele gegoede families beschikten over veel land en het geld dat ze bezaten werd bewaard in een oude kous, zoals men dat toen zei, met alle risico’s van dien. Of er werden landerijen bijgekocht, zodat hun bezittingen alleen maar groeiden. Behoorde je niet bij de welgestelden, dan was het kwaad kersen eten.

Toch was krediet om een bedrijf te runnen voor boer en tuinder ook in vroegere jaren een dwingende noodzaak. De gegoede lieden die over financiële reserves  beschikten, leenden dat niet zo gemakkelijk uit of deden dat tegen een veel te hoge rente. Een bank waar je je geld veilig naar toe kon brengen, was er sinds 1895 in Naaldwijk. Zo’n bank was óók voor de ontwikkeling en werkgelegenheid in Poeldijk hard nodig.

 

Kapelaan Vollering: De initiatienemer en oprichter van de Boerenleenbank 

Kapelaan J.J.Vollering van de Bartholomeusparochie zag dit in en zocht contact met Naaldwijk waar de mensen hun spaarcenten, tegen vergoeding van rente, bij een coöperatieve vereniging konden onderbrengen. Boeren en tuinders, konden dit geld tegen een lage rente lenen. Kapelaan Vollering ging vervolgens in Poeldijk praten met enkele mensen die over geld beschikten met het doel ook zo’n coöperatie op te richten. Het ging erom dat het geld aan alle leden die dat wilden, tegen een lage rente kon worden uitgeleend. De economische ontwikkeling noodzaakte de tuinder die nog op de opengrond teelde, een vollegrondstuinder, te investeren in zowel platglas als druivenkassen.

In de vergaderkamer van de R. K. pastorie aan de Voorstraat werden onder leiding van kapelaan Vollering de bankstatuten opgesteld. Het moest een coöperatie zijn van leden, die niet het doel had om winst te maken, maar om de behoeftige boer en tuinder wat bedrijfskapitaal te verschaffen.

Voor het lidmaatschap van de bank was het vereist, dat men de Roomsch-Katholieke godsdienst beleed en zijn gedrag naar diens zedenleer beleefde. Vrouwelijke leden moesten zich schriftelijk door een mannelijke meerderjarige tijdens de vergadering laten vertegenwoordigen. Geld- en bankzaken waren in vroegere jaren nu eenmaal een mannenzaak. En zo kwamen er gedegen statuten waar naar geleefd moest worden.

Op 12 oktober 1905 waren in het gloednieuwe St. Vincentiusgebouw maar liefst 97 aspirant-leden aanwezig voor de oprichtingsvergadering van een R.K. Coöperatieve Boerenleenbank Poeldijk. In het eerste bestuur werden gekozen de volgende heren:

Voorzitter:                   J.J. Vollering/ kapelaan

Directeur:                     P.C. van Kester

Raad van Toezicht:     T.H. van der Broek en M.J. Mulder.

Voor de huisvesting huurde de bank een kamertje in het St.Vincentiusgebouw. Dit kamertje werd ook zaterdagsmorgens gebruikt door de groenten- en fruitveiling Poeldijk voor het uitbetalen van de veilinggelden.

De hoofdonderwijzer van de openbare school W. van Houten ging, naast zijn werk als onderwijzer, fungeren als kassier van de bank. Men had zoveel vertrouwen in deze opzet en in deze mensen, dat het geld van de beter gesitueerden binnenstroomde. Ook de kredietvragers kwamen met tientallen gelijk. Het kon ook niet anders of in een straal van enkele kilometers rondom de Poeldijkse kerk ontstond een nogal opvallende activiteit voor de te bouwen druivenkassen.

 

W.van Houten, de eerste kassier in Poeldijk. Tevens hoofdonderwijzer van de gemeente school. 

De kassier W. van Houten had er na zijn schooltijd handen vol werk aan en werd dan ook rijkelijk beloond met een bedrag van honderd vijftig gulden per jaar. Van Houten stelde zich wat dat betreft altijd zeer bescheiden op en vertelde: “Ik wil graag werken voor deze bank en met deze mensen voor het stoffelijk welzijn van de leden”. Zeven jaar later, in 1912 was zijn salaris opgelopen naar de f. 350,- per jaar. Als ’s avonds kassier Van Houten het Poeldijkse St. Vincentiusgebouw afsloot en naar huis ging, bleef de brandkast eenzaam en alleen achter. Van Houten deed het administratieve werk en hield twee keer in de week zitting voor het uitbetalen van voorschotten en het innen van spaargelden. Indien nodig vergaderde hij met het bestuur. In die vergaderingen werd niet alleen over uiteenlopende soorten van voorschotten aan tuinders gepraat. Ook de vraag of ambachtslieden als lid konden worden aangenomen, passeerde de revue. Dat ging dus niet, besliste het bestuur op 6 mei 1907. Wel konden ze geld opnemen maar moesten dan, omdat ze geen lid waren, een half procent onkosten of provisie meer betalen dan de leden. In 1936, eenendertig jaar na oprichting, ging de heer W van Houten de kassier, van zijn welverdiende rust genieten.

 

De heer H.N.W.Willems, kassier van 1936 tot 1960 

De heer H. Willems nam de taak van kassier van de R.K. Boerenleenbank Poeldijk na Van Houten op zich. De economische toestand in de tuinbouw, maar ook daar buiten, was in zijn beginjaren zeer slecht. Van nieuwbouw was haast geen sprake. De huisvesting van de Poeldijkse boerenleenbank in het Vincentiusgebouw was na dertig jaar nog steeds minimaal. Eén kleine kamertje, niet groter dan twee bij drie meter, met daarin een kluis, wat opbergkasten, een potkachel, een tafel met twee stoelen, een telefoon en een schrijfmachine. Voor de klanten die op hun beurt moesten wachten, was het dikwijls kou lijden in de onverwarmde hal vlak achter de buitendeur.

In maart 1940, een maand voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, hoorden de Poeldijkers het nieuws. De boerenleenbankbank had het pand van Fischer aan de Voorstraat gekocht.

 

Het Pand ‘Fisher’ Het eerste boerenleenbank gebouw in Poeldijk. Rechts het kantoor, links de kassierswoning 

Dit pand stond tegenover de pastorie. Er waren nagenoeg geen verbouwingen nodig, want de indeling was ideaal. De winkel werd wachtkamer. Naast het wachtlokaal bevond zich het kantoor voor de kassier Willems. Boven was een vergaderkamer en links van het geheel lag het woonhuis van de heer Willems. De oorlogsjaren mogen dan in een ander opzicht angstige en moeilijke jaren zijn geweest, voor de bank brachten ze geen grote problemen met zich mee. Er was meer spaargeld binnen gebracht dan uitgeleend. Logisch, want voor het geld viel toch niets te kopen.

Het bedrijfsleven had in de vijf oorlogsjaren wat onderhoud en vernieuwing betreft een grote achterstand opgelopen. Dat resulteerde in een toename van het aantal leningaanvragen. Het bankbestuur had het spook van de crisis- en oorlogsperiode nog vers in het geheugen. Ondanks de goede financiële positie van de Poeldijkse boerenleenbank, werd elke aanvraag voor een lening kritisch beoordeeld en volgens het oordeel van de heren, vaak onvoldoende gedekt.

De toekomstige tuinders moesten over rijke ouders en over een goed startkapitaal beschikken, anders lukte het niet om een zelfstandige tuinder te worden. De Poeldijkse bank heeft in die jaren zeer vertragend opgetreden.

Van samenwerking tussen de boerenleenbanken onderling was er, in die periode in het Westland, nog helemaal niets te merken. Statutair waren de gebieden van de plaatselijke banken afgebakend, terwijl de gedachtengang en sfeer vaak verschilden. Het bestuur van de Poeldijkse bank was in die jaren zeer behoudend, terwijl de banken in de omringende dorpen bij het verstrekken van krediet juist meer coulant waren. Verschillende Poeldijkse leden waren in het beleid en service van de bank teleurgesteld. Bij de omliggende dorpsboerenleenbanken, kregen ze een veel beter onthaal. De hypotheken die daar werden aangevraagd, werden wel goedgekeurd door dezelfde centrale bank in Eindhoven. De overdreven securiteit leidde er toe dat verschillende jonge kwekers bij omringende dorpsbanken hun financiën gingen regelen. Men heeft in die dagen zelfs handtekeningen verzameld, onder de boerenleenbankleden, om de wat progressievere Piet van der Enden op een verkiesbare plaats in het bestuur te krijgen. Toen er in het  tjokvolle hotel Verburch eenmaal werd gestemd, kwam hij slechts een stem tekort.

Eind jaren vijftig groeide de Poeldijkse bank uit zijn jasje en werd het bankgebouw met het huis van kassier Willems afgebroken. Een nieuw gebouw (nu het boekhoudkantoor tegenover de R.K. pastorie) werd gebouwd voor de prijs van  257.000,- gulden. Dit prachtige gebouw, ontworpen door het architectenbureau Paardenkoper en Barnhorn uit Lisse, heeft dienst gedaan tot 1985.

 

Het voormalige bankgebouw tegenover de R.K. Kerk  

De welvaartstoename en de economische groei typeerden de jaren zestig. De lonen en pensioenen groeiden elk jaar. Poeldijk deelde mee in de welvaart. De ondernemingszin en arbeidslust namen ook toe.

Het was begin maart 1960 dat de heer Willems stopte en zijn plaats aan zijn plaatsvervanger de heer G. W. Halverhout overgaf. De nieuwe kassier wilde meer groei van spaargelden. Dit terwijl hij maar al te goed wist dat hij zijn vinger niet moest branden aan de banken in de omliggende Westlandse dorpen. Met het stichten van een bijkantoor in Vlaardingen werd een spaargeldfuik vakkundig opgezet, die tot de groei van de Poeldijkse bank heeft bijgedragen.

 

Tot 1972 waren er in ons land twee centrale coöperatieve agrarische banken, De Coöp. Centrale Raiffeisenbank en de Coöp. Centrale Boerenleenbank. In 1972 fuseerden deze banken en gingen verder onder de naam Rabobank. In 1976 ging de Poeldijkse bank een fusie aan met de plaatselijke Naaldwijkse bank. Samen gingen zij verder onder de naam Rabobank Midden-Westland. De Poeldijker M.P. Zuidgeest werd de nieuwe voorzitter van deze voor die tijd ‘mega’ bank. De conjunctuur liep goed en het nieuwe bankbestuur werd steeds minder kritisch in het geven van krediet. Een andere benadering dan in de jaren vijftig. Een cliënt met weinig geld die zakelijk wat in zijn mars had, werd nu gemakkelijker op het paard geholpen. Jammer dat een verstrengeling van belangen de voortvarende voorzitter deed struikelen. M. P. Zuidgeest trad af en de Naaldwijker J. L. M. Barendse werd in zijn plaats gekozen.

 

Van kassier tot directeur, van boerenleenbank naar Rabo Midden Westland. G. W. Halverhout 

Aan het einde van de 20e eeuw, heeft de landelijke Rabobank zijn vleugels wereldwijd uitgeslagen. De aansprakelijkheid van de leden werd afgeschaft. In de afgelopen honderd jaar is de bank van een kredietinstelling naar een financiële dienstverlener gegroeid. Het lidmaatschap van klanten die geld komen lenen is niet langer verplicht. De Rabobank blijft vasthouden aan de structuur van een coöperatie door niet naar de beurs te gaan.

De Boerenleenbank van toen is uitgegroeid tot  een moderne bank. Aanvankelijk een bank met een klantenbestand van alleen maar boeren en tuinders. Nu is van het totale klantenbestand alleen maar twintig procent kweker. De bank is enorm in de breedte gegroeid, met veel toeleveringsbedrijven, handelaren en klanten uit midden- en kleinbedrijf. Naar buiten valt de bank door sponsering bij,  grote en kleine zaken vooral op cultureel gebied. Het bestuur is beleidsmatig bezig en bemoeit zich niet rechtstreeks met bancaire zaken. Vroeger gebeurde dat wel degelijk. Dan wist kweker X, die bestuurslid was, wat kweker Y op de bank had staan.

In 1998, vierde de Rabobank Nederland haar honderdjarig bestaan. Drie jaar nadat in Naaldwijk (en dus ook in Poeldijk, Kwintsheul en Wateringen) al een eeuwfeest was gevierd. De oudste bank die deel uitmaakt van de fusiebank Midden-Westland, de Voorschotbank in Naaldwijk, was namelijk al in 1895 opgericht.

Het eeuwfeest werd in de Jaarbeurs in Utrecht gevierd in de geest van deze tijd, met wel honderdduizend genodigden. Gedurende twintig dagen zijn er per dag vijfduizend personen met bussen naar de versierde feesthal vervoerd. Daar werden ze op een vorstelijke manier verwend met eten, drinken. Vermaakt werden ze door wel tweehonderd beroepsartiesten, velen bekend van radio en tv. Op een indrukwekkende en speelse wijze gingen deze met zang, dans en sketch door de honderd bewogen jaren heen.

Wie had honderd jaar eerder toen de Boerenleenbank werd opgericht verwacht, dat je ooit ‘geld- uit de muur’ zou kunnen halen? Of dat je geld in de muur zou storten waarna het veilig op je spaarrekening komt? Nee, nog spannender dat je thuis achter de computer via internet kon kopen en betalen. Deze ontwikkeling zal ook in dit nieuwe derde millennium zijn voortgang vinden.


 

               

Index Boek        Volgende hoofdstuk