Hoofdstuk VII

 

Een vereniging van tuinarbeiders ‘Sint Marcus’

 

Een vereniging van tuinarbeiders ‘Sint Marcus’

 

In de achttiende en negentiende eeuw leefden arbeidersgezinnen in kommer en kwel. Gezinnen die zich generaties lang ophielden in de marge van de samenleving waar sappelen de enige vorm van overleven was. Ze zagen die armoedige leefomstandigheden als vanzelf op hun kinderen en kleinkinderen overgaan. Het is tekenend hoe het gevoel voor eigenwaarde door vele jaren van diep doorvoelde minderwaardigheid langzaam maar zeker veranderde.

Wie meer inzicht wil krijgen in de ontstane rangen en standen, doet er beter aan niet teveel in hokjes te denken. Natuurlijk kan een onderverdeling in categorieën als ouderen, zieken en daklozen soms heel verhelderend werken. Wie de tragiek van armoede van die jaren wil samenvatten krijgt er meer inzicht in door te kijken naar de sociale klassen. Als een gegoede familie in verval raakte, kon zij meestal terecht bij familie en vrienden die het beter hadden. Dat waren mensen die het gezin in deze penibele situatie konden helpen.

Indruk maakte vooral de ogenschijnlijke onomkeerbaarheid van doffe ellende waarin arbeidersgezinnen in die jaren keer op keer terechtkwamen. Positief was het enorme saamhorigheidsgevoel. Men heeft ook geen idee van de kracht en overlevingsdrang van deze gezinnen. In een andere situatie zou het gros door de houding van minachtende buitenstaanders allang ten onder zijn gegaan. Neen, hoe wankel ook, ze hielden stand. Ook in het kerkelijk leven werden arbeidersgezinnen (zeker door de bril van deze tijd gezien) op hun ziel getrapt. De mooiste plaatsen tijdens de erediensten waren gehuurd of gekocht door beter gesitueerden. De arbeider zat in het armenbankje achter in de kerk. Hun kinderen lieten ze zingen:

 

Een man op klompen, in bedelaarslompen,

Is dikwijls meer, is dikwijls meer

Dan al die heertjes met mooie kleertjes

Bij God den Heer, bij God den Heer.

 

Karel  Marx  (1818 –1883) zag dit alles als een groot onrecht. Hij ontwikkelde een theorie waarin de opvatting heerste dat door de tegenstelling tussen de bezittende klasse en de arbeidende klasse,  het kapitalisme uit zichzelf ten gronde zou gaan.  De arbeidende klasse zou aan de macht komen en er zou een socialistische maatschappij ontstaan, die zich kon ontwikkelen tot een klassenloze (communistische) maatschappij.

In zijn ‘Communistisch Manifest’ dat in 1848, samen met Wilhelm Friedrich Engels werd uitgebracht, werden ideologie, actieprogramma en profetie gecombineerd. Het proletariaat  zou zich verenigen ten einde het kapitalisme omver te werpen. Rusland was het eerste land waar na de Revolutie (1917) een samenleving ontstond die de gedachten van Marx eer zou  aandoen.

Marx probeerde al deze mensen met zijn slagzin ‘proletariërs aller landen verenigt u’ te winnen, wat hem in hoge mate zeker is gelukt. De Rooms Katholieke kerk zag dit als een grote bedreiging, Paus Pius X  schreef een encycliek  waarin hij al zijn gelovigen opriep tot het oprichten van standsverenigingen zodat de leden zich gezamenlijk sterk konden maken tegen de armoede.

In de negentiende en begin twintigste eeuw was het de werkgever die uitmaakte wat een arbeider voor zijn geleverde arbeid ontving. Het waren liberale toestanden die een groot standsverschil in Poeldijk, en niet alleen daar, teweegbrachten. Om het duidelijk te zeggen, ‘de arbeider verdiende het zout in de pap niet’. Men leefde op de grens van de bedeling. Staken of verzet plegen konden de arbeiders vroeger maar beter uit hun hoofd zetten, want van enige organisatie op vakbondsgebied was nog geen sprake. De baas betaalde niet meer dan hij aan zijn knecht wenste te verstrekken en dat was weinig. Bij klachten hierover kon hij vertrekken. Er waren immers nog vele wachtenden na hem. De werkloosheidsuitkering bestond nog niet. Het kwam neer op: werken, heel hard werken, meer dan 12 uur per dag en je mond houden over te weinig loon, want je stond zomaar op straat. Om deze schrijnende toestand voor werknemers een halt toe te roepen, ging men zich verenigen met als doel tot betere leefomstandigheden te komen.

 

Jan Olierook en Jan Heppe waren leden van de Poeldijkse RK toneelvereniging St Genesius.  Vanuit die vereniging, zijn de eerste stappen gezet om een vereniging van tuinarbeiders in Poeldijk op te richten. Op donderdagavond 29 april 1915 werd, onder leiding van Jan Olierook een vergadering belegd. Aanwezig waren kapelaan Buurwinkel, de heer A. J. Loeracker, voorzitter van de Volks bond, en de Poeldijkse parochiekapelaan van Leeuwen, en 38 Poeldijkse tuinarbeiders. En inderdaad kwam men deze avond tot oprichting van een bond onder de naam St. Marcus. Het eerste bestuur bestond uit de heren:

Jan Olierook Jac.z             Voorzitter

J.P. Heppe Phz.                 Secretaris

 P Verbeek J.z                   Penningmeester:

Kapelaan van Leeuwen.  Geestelijk leider

S. Nederpelt Jac.z            Bestuurslid

P Brabander P.z               Bestuurslid

 

 

Kapelaan van Leeuwen sprak op deze eerste bijeenkomst, op uitdrukkelijk verzoek van de paus, wiens verlangen het was om veranderingen aan te brengen in de overheersende liberale toestanden. Hij ijverde er voor dat iedere R.K. tuinarbeider zich als lid van deze vereniging zou aansluiten, om bij loon- en werktijdenonderhandelingen sterk te kunnen staan.

In het voorjaar van 1916 werd de eerste mijlpaal bereikt. Het eerste looncontract in Poeldijk werd afgesloten voor uitsluitend aangesloten leden met de werkgevers van de Rooms Katholieke Tuindersbond. In hoofdzaak kwam het looncontract hierop neer;

1- Een weekloon van dertien gulden  voor de acht zomermaanden.

2- Gedurende de vier wintermaanden elf gulden.

3- Een uitkering van 5 gulden per week bij ziekte, gedurende zes weken.

Het was een schraal begin, maar men was tevreden.

 

De kerk beet zich in die dagen steeds vaster in de organisatie het verenigingsleven, wat bleek uit de statutenverandering. De bisschop was de enige die in dagen de geestelijk adviseur kon benoemen. Tot alle vergaderingen, zowel van het bestuur als van de leden, moest deze adviseur worden uitgenodigd. Alle besluiten moesten hem worden meegedeeld en zonder zijn goedkeuring traden zij niet in werking. Als sluitstuk stond in deze statuten: “dat de paus een buitengewone gunst biedt aan de leden van de vakorganisatie, namelijk dat op bijzondere dagen zoals St Marcus, St Isidorus en op de Kruisdagen onder gewone voorwaarde een volle aflaat wordt verleend”.

 

De heer A Bol Azn. die als onderhandelaar namens de vereniging optrad, onderscheidde zich door kalmte en een heldere raadgeving. Hij was een van de vele fijne radertjes waarop de vereniging draaide. Waren de lonen voor de oprichting van deze vereniging angstig laag, ongelijk en onoverzichtelijk, nu trad er verbetering in de lonen voor tuinarbeiders.

In 1917  9 maanden van f. 16,00 per week en f. 14,00 voor 3 winter maanden.

In 1918  9 maanden van f. 18,00 per week en f. 16,00 voor de 3 winter maanden.

In 1919  6 maanden van f. 22,00 per week en f. 20,00 voor de overige 6 maanden

 

Op zondag 19 september 1920 werd het eerste lustrum gevierd. Alle leden waren gelukkig met de saamhorigheid die er onderling was gegroeid en het geldelijk resultaat dat was bereikt. De feestdag begon ‘s morgens door met het gezin naar de H. Mis te gaan. ‘s Avonds was er feest in het St. Vincentiusgebouw, waar de toneelgroep St. Genesius een vrolijk stuk opvoerde en het Muziekcorps Pius X voor de muzikale noot zorgde. Zowel de mannen als de vrouwen waren gelukkig met de samenbundeling van krachten. Dit hadden ze nog nooit meegemaakt. Deze mooie dag  werd afgesloten met een spontaan hoera voor hun leider Jan Olierook.

Maar men was er nog lang niet. Het heeft nog vijf jaar geduurd voordat er in het looncontract kon worden opgenomen dat kinderen tot vijftien jaar niet langer dan van ‘s morgens  zes  tot ‘s avonds zes uur mochten werken. Dat de ouderen vier dagen betaald verlof kregen, dit alleen om naar een retraite (geestelijke bezinningsdagen) te gaan. Het is duidelijk hoe schrijnend de toestand in die dagen was en hoe noodzakelijk de standsorganisaties waren om dergelijke problemen aan te pakken. De situatie van die tijd in ogenschouw  nemend,  groeide de gemeenschap wat meer tot elkaar. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog groeide in Europa de economie, de export van tuinbouw producten breidde zich uit, hetgeen wat welvaart bracht.

In 1925 was het loon opgelopen naar f. 26 per week. Om op zaterdagmiddag om 16.00 uur met het werk te stoppen, daar was de tijd nog niet rijp voor. Het was kersttijd 1928, Jan Olierook kreeg een kroon op z’n werk. De bisschop van Haarlem speldde Jan, het erekruis  ‘Pro Ecclesia et Pontifici’ op z’n revers. Hij sprak bij die handeling de wens uit: “dat Olierook in goede gezondheid nog lang zijn krachten aan deze vereniging zou mogen blijven geven”.

Dat de vereniging een nauwe band had met de kerk bewijst de openingsrede van de voorzitter. Daarin werd gesteld, dat: “de grote afval der jeugd, van ons heilig geloof, is te wijten aan het niet georganiseerd zijn, en in de dagen der beproeving te weinig onderlegd zijn. Ze worden  door mooie praatjes door onze rode broeder misleid”. Waarbij de geestelijk adviseur er aan toevoegde: “Neem nooit je kinderen als kostganger in huis, dat is tegen alle zedenwetten”. Alsook: “We moeten beginnen  met elkaar aan te sporen tot trouw, tot vergaderingbezoek en tot welvaart van kerk en maatschappij”. Nog een stukje uit een rede van de voorzitter: “We mogen niet vergeten wat we aan de Christelijk regering te danken hebben, zoals arbeidsduur, zegelwet en werkloosheidsverzekering. De Rooien kunnen zeggen, bij ons geven we grote bedragen uit voor stakingen.. Wij zeggen, gaat uw gang, wij bereiken meer met vredige onderhandelingen”. Tijdens deze jaarvergadering was er een verloting en de prijzen waren vijf  kerkboeken en tien loten van Herwonnen Levenskracht. De nieuwjaarswens van de voorzitter luidde: “Een gelukkig en zalig nieuwjaar en hoop op Gods zegen over onze huisgezinnen en over de organisatie voor ons tijdelijke welzijn. Terwijl in het bijzonder voor ons eeuwig welzijn Gods zegen over ons mag neerdalen”.

 

Op 20 oktober 1930  was het weer feest in het Sint Vincentiusgebouw.  St. Marcus vierde het derde lustrum en er waren maar liefst negen sprekers uit de Poeldijkse gemeenschap om de vereniging lof toe te zwaaien. Het hoogtepunt van de avond was de inzegening van een nieuw vaandel. Dit werd verricht door de Hoog Eerwaarde heer G. J. M. Maat,  deken en pastoor van Poeldijk.  Deze sprak de wens uit dat de vereniging nog vele jaren onder bescherming van St. Marcus zou mogen strijden in het belang van kerk en maatschappij. Hij spoorde de leden aan tot trouw aan het vaandel. Een volgende spreker was de heer A. Bilsen, voorzitter van de Poeldijkse voetbalclub P. F. C.  Deze voetbalclub had een weldadigheidswedstrijd gespeeld waarvan de baten bestemd waren voor een vaandel voor St. Marcus. Dit vaandel is vele jaren tijdens de sacramentsprocessie in de kerk rondgedragen. Het vaandel gaf de vereniging een eigen gezicht.

Ook werden er cadeaus aan Jan Olierook, de voorzitter overhandigd als blijk van waardering, waaronder een studieboek, ‘Het rijk van den arbeid’, van  C. J. Kuiper. De feestavond werd afgesloten met enkele woorden van de voorzitter: “Door noeste arbeid is er vreugde en dankbaarheid gekomen  in onze huisgezinnen”. Het moet heerlijk geweest zijn, om na 15 jaar dit te mogen en kunnen zeggen. Zijn arbeid was omgezet in levensvreugde.

 

In 1930 begon Nederland de gevolgen te ondervinden van een internationale crisis. Om hun eigen producten te beschermen gingen veel landen ertoe over de invoerrechten te verhogen, waardoor de voor Nederland belangrijke uitvoer ernstig terugliep. Hierdoor daalde de afzet en daardoor ook de bedrijfswinsten. Veel bedrijven moesten inkrimpen of sluiten waardoor enorme werkloosheid ontstond. De regering probeerde de schade zoveel mogelijk te beperken. In plaats van stimulerende maatregelen te nemen, werd er een politiek gevoerd van aanpassing aan de verminderde welvaart, waardoor de crisis verergerde. In 1936 was een kwart van de beroepsbevolking zonder werk. Nederland verarmde zienderogen.

Ook in Poeldijk werd de economische crisis merkbaar. Door verminderde export liepen  veilingomzetten terug, waardoor overproductie ontstond. Dat betekende op de veiling een lage prijs voor de producten. Veel tuinders konden in die tijd nog maar net het hoofd boven water houden. Bedrijfsbeëindiging was aan de orde van de  dag. Het aantal werklozen in de tuinbouw groeide sterk. Hoewel de vakbond zich inspande tot het uiterste, ging de werkgelegenheid bergafwaarts. Het weekloon van de tuinarbeider daalde wel met 36%. Dat was negen gulden per week, terwijl de kosten van levensonderhoud maar nauwelijks lager werden. Men moet zich eens voorstellen wat het was om als vader van een groot gezin met een inkomstenvermindering van ruim een derde te worden geconfronteerd, terwijl de arbeidsvoorwaarden van die tijd bovendien zwaar waren. Lange werkdagen, van licht tot donker, en zaterdags werken was heel gewoon. Herinneren we nog het derde lustrum van deze vereniging, het was allemaal vreugde wat de klok sloeg. In het vierde lustrum ging de vreugde over in angst en verdriet. Men was weer terug bij af. De werkloosheid  nam hand over hand toe.

 

Werkloos zijn was heel vernederend. Ieder die geen werk had was verplicht twee maal daags in een gemeentelokaal een stempel te halen. Elke dag weer had men de vernederende taak om zich als werkloze te komen melden. Een stempel te komen halen, om te voorkomen dat men ‘zwart’ ging werken. Meldde men zich niet, dan was er ook geen werklozenuitkering. Een werkloze met kinderen kreeg negen gulden steun per week. Als de huishuur eraf was, bleef er ongeveer vijf gulden over voor voedsel, kleding en schoeisel. Als gevolg hiervan liep men in verstelde kleding en soms maar op anderhalve klomp. Er waren werkloze gezinnen die verhuisden naar de gemeente Den Haag omdat daar een gulden meer werkelozenuitkering per week werd uitbetaald. Een werkloze kon de zogenaamde B-steun (extra) aanvragen bij de gemeente, voor schoenen, kleding of beddengoed. Voordat deze steun werd toegewezen kwam een controleur het hele huis doorzoeken om te beoordelen of het gevraagde werkelijk nodig was.

Had de werkloze een fiets, dan kreeg hij een gratis koperen fietsplaatje (belastingplaatje) met een rond gaatje erin geponst. Alleen op werkdagen mocht daarmee worden gefietst. Het was ook niet toegestaan dat een werkloze zich ophield in een café, op straffe van inhouding van steun en uitsluiting van werkverschaffing.

In die dagen stond er in de plaatselijke courant onder Poeldijk: ‘de politie grijpt in’. Zaterdag werd een drietal werklozen bekeurd wegens het vertoeven in een café’.  Werklozensteun was tenslotte geen recht maar een gunst waarvoor men op gepaste wijze dankbaar moest zijn. De gemeente maakte samen met de werkliedenverenigingen een plan voor werkverschaffing. Er werd door de werklozen een fietspad aangelegd van Ter Heijde naar Kijkduin.

 

In de Monsterse duinen is er nog steeds de ‘Bloedberg’, een uitkijkpost. De naam zegt al meer dan genoeg. Deze berg is ontstaan door zand uit de wijde omgeving, met kruiwagens, door werklozen op een en dezelfde plek leeggestort, zodat een elf meter hoge berg ontstond.  Het moet een hels karwei zijn geweest vooral als het in de zomermaanden heet was in de duinen. Water om te drinken moest worden aangevoerd in zinken emmers. De werkdagen waren lang. Ook op zaterdag moest er worden gewerkt. De Bloedberg, bewaard als monument, is een herinnering aan die tijd.

De verdienste als tewerkgestelde bij de werkverschaffing bedroeg inclusief kolentoeslag  f. 11, 25 per week. Dat was f. 2.25 hoger dan de werklozenuitkering. De huishuur was rond de f. 4,50 zodat er voor een gezin maar weinig overschoot om van te leven.

In die dagen waren er achter in de Bloemenstraat een aantal arbeidershuizen bijgebouwd met een huurprijs f 3,75 per week. Voor deze woningen werden geen huurders gevonden die dat bedrag  konden opbrengen. Toen aan de nieuwe huurder een zij spek werd beloofd, werd het wat aantrekkelijker. De Bloemenstraat werd toen ook meteen in de volksmond ‘Spekstraat’ genoemd. De toestand in de tuinderij was in die dagen was zo slecht dat de vereniging van tuinarbeiders geen loonsverhoging durfde te vragen vanwege de slechte opbrengsten van de tuinbouwproducten.  Vooral de opbrengst van de druiventeelt die een sterke groei had doorgemaakt, liet het afweten. In het jaarverslag van 1935 staat dat Jan Olierook, in een  openingstoespraak de vrouwen van de werknemers vraagt om offers in deze moeilijke tijd met blijheid op te brengen. Ook de geestelijk adviseur wees er tijdens de vergadering op, dat de leden haar krachten moeten geven om samen te werken aan de nieuwe gemeenschap en daarvoor te bidden: “Wanneer wij onze plicht goed vervullen, kan ons voorbeeld stimulerend werken op onze werkgever”. Ook vestigde hij aandacht op de druivenkrenttijd. Hij vroeg de vergadering om zich te onthouden van alle kwaad- en vuilsprekerij, ter bescherming van onze medemens en onze kinderen. Hij spoorde de leden aan te waken over godsdienst en goede zeden om te komen tot een betere maatschappij.

In de maanden mei en juni liep bijna heel Poeldijk zowel, mannen, vrouwen als kinderen ‘s morgens om vijf uur uit naar de druivenkassen om te krenten.

 

Bijna heel Poeldijk, van groot tot klein was van zonsopgang tot zonsondergang aan het druiven krenten. 

Wat is druivenkrenten? Het ordenen van de druiventrossen, door het zaad en de korreltjes die er te veel in zitten te verwijderen. De niet verwijderde druiven konden na het krenten dan beter uitgroeien.

In 1939 klaarde de economische lucht wat op. Er kwam na vele jaren van ‘lageloonstabiliteit’, een loonsverhoging van een gulden per week, wat neerkwam op een weekloon van f 18,50.

In de periode van de Tweede Wereldoorlog werd het verenigingsleven door de Duitse bezetter stil gelegd. Er gold een algeheel vergaderverbod.

Op 27 juli 1945 was er de eerste naoorlogse vergadering onder leiding van Jan Olierook. Er werd snel een nieuw arbeidscontract gesloten. Niet zoals voor de oorlog van 25 gulden, maar van  40 gulden per week. Op zaterdagmiddag werd het werk voortaan om vier uur gestopt. Daarbij kwamen zes dagen vakantie en zes snipperdagen met behoud van loon. Ook werd er een comité aan het werk gezet, om in de dwingende behoefte aan klompen te voorzien. De verenigingskas was leeg. Er werd een collecte gehouden om de penningmeester aan de eerste centjes te helpen. De opbrengst was 103 gulden. Was het voor de oorlog nog zo dat deze vereniging met de Land en Tuinbouwbond ging praten over de hoogte van het weekloon. Nu ging de regering zich met de loonvorming bemoeien. Er kwam een rijksbemiddelaar om het juiste loon te bepalen. In het voorjaar van 1949 werd er in die geest een wet aangenomen. Hierin werd bepaald dat alle bedrijfsgroepen zitting moesten nemen in een organisatie, om zoveel mogelijk eensgezind met de belangen naar buiten te treden. Er moest gestreefd worden naar een lonende positie voor bedrijven en de arbeiders de mogelijkheid geven om een pensioen op te bouwen voor de oude dag. Vroeger moest men werken: ‘tot men er bij neer viel’, nu werkte men naar een pensioengerechtigde leeftijd. Het werkklimaat werd beter en het gezinsinkomen klom weer met de jaren.

Jac. Olierook, de bode van deze vereniging, had al jarenlang regelmatig hand- en spandiensten verleend en diende op 2 maart 1951 een verzoek in om een opslag van een halve cent per lid van de vereniging te ontvangen gelet op de hoge kosten aan rijwiel en schoenen. Dit werd ook geaccepteerd want zo sprak het bestuur: “Hij was de onmisbare schakel tussen bestuur en de leden”.

Het was in het najaar van 1947 toen de ‘Noodwet Drees’ kwam, genoemd naar de minister van Sociale Zaken Willem Drees. De voorloper van de AOW. Het kwam als een geschenk uit de hemel. ‘Hij trekt van Drees’ werd er gezegd. En sommige bejaarden verkeerden in de veronderstelling dat het geld inderdaad op een of andere manier van ‘vadertje Drees’ persoonlijk afkomstig was.

Op 29 januari 1952 beëindigde Jan Olierook het voorzittersschap van de vereniging.  Om gezondheidsredenen moest hij na 37 jaar de voorzittershamer afstaan. Vanaf het prille begin was hij de stuwende kracht geweest die voor de leden van St. Marcus, voor een menswaardig bestaan had gevochten. Men kan nu heel veel goeds van deze man vertellen maar veel treffender is dat de Sportlaan werd omgedoopt in Jan Olierookstraat. Deze straatnaam zal de naam van deze sociaalvoelende man tot in lengte van jaren in het dorp leven houden. Ook het schilderij dat vier paarden voor een ploeg voorstelde, dat hij bij zijn afscheid als blijk van dank mocht ontvangen, symboliseert zijn gedane werk.

“Wat simpele feiten vormen de grondverf voor een subtiel gepenseeld portret, geniaal, uitschieter, bewust van zijn afkomst maar er niet door gebiologeerd, een doorsnee Poeldijker uit een  arbeidersgezin”. Dit werd nog eens dik onderstreept toen de bondsadviseur van de R. K. landarbeiders pastoor Hendriks, hem de pauselijke  onderscheiding ‘Bene  Merenti’ opspeldde. Jan Olierook  werd door de vereniging benoemd tot erelid. Hij overleed op 70 jarige leeftijd in Poeldijk.

 

Kees van der Wilk werd als nieuwe voorzitter gekozen. Hij kwam uit Wateringen, en was niet bekend met het organisatieleven. Een man die echter wel wist, waar hij voor stond. De fundering van de vereniging was gelegd en de nieuwe voorzitter had een andere kijk op het leven, hij duldde minder tegenspraak. Ook de invloed van de kerk die erg groot was, tolereerde hij maar moeilijk. Kees ging al gauw een praatje maken met deken G. Kuys om de statuten, over de inspraak van de kerk, te mogen schrappen. Deze stemde toe op voorwaarde dat ze de kerkelijke moraal en zeden zouden respecteren. Ook was het zijn wens om in de toekomst meer samen te gaan werken met de jongeren, zelfs met de andersdenkende tuinarbeiders in het dorp. Hij wilde daardoor de krachten meer bundelen om samen sterker te staan.

In april 1960 gingen de lonen met enkele procenten omhoog terwijl de huur met 20 % steeg. Daar kwam nog bij dat de huizen van de Poeldijkse woningbouwvereniging veel achterstallig onderhoud hadden. Deze klachten kwamen regelmatig in de vergadering van deze vereniging ter sprake. En als wij Kees van der Wilk  zijn eigen woorden mogen gebruiken: “Er hebben vele straatgevechten plaatsgevonden voordat er huurders in het bestuur van de woningbouwvereniging Eensgezind zitting konden nemen”. Het was  de voorzitter die het grote karwei klaarde en de arbeider invloed gaf op de sociale woningbouw in Poeldijk. Willem van Bergenhenegouwen werd de nieuwe voorzitter van de Poeldijkse woningbouwvereniging. Er kwam inspraak en het reilen en zeilen ging tot ieders tevredenheid.

 

Met Kees als voorzitter waaide er een andere wind door de vereniging. Met als grote ruggesteun de secretaris Bert Gardien. Beide mannen voelden elkaar goed aan en zij stimuleerden leden om via scholing meer aan persoonlijke ontwikkeling te gaan doen. De gehele ontwikkeling noodzaakte ertoe, dat ook leden de vele regels door de regering opgesteld, konden vertalen en begrijpen Ook voor de toekomst vonden zij het van groot belang, dat de leden een bredere kijk op de maatschappij kregen. Dat de jeugd gevormd moest worden tot persoonlijkheid en dat ze hun eigen opvattingen moesten kunnen verwoorden. Zij moesten een plaats in de maatschappij kunnen vervullen ter verheffing van de arbeidersstand.

  

Frans de Jong was zo’n lid. Frans had de vaardigheid om als verslaggever in de courant de belangen van de vereniging  naar buiten te brengen. Bovendien hield hij een maandelijks spreekuur om de sociale problemen van leden op te lossen. De veelbesproken onderwerpen tijdens de ledenvergadering in die dagen waren bezitsvorming, ouderdomsvoorziening,  doorbetalen van loon bij ziekte en vakantiegeld.

Werd er direct na de Tweede Wereldoorlog beslist dat loonvorming in een centraal geleid overleg met de regering zou plaatsvinden. In 1956 besloot de regering weer tot het principe van een vrijere loonvorming.  Dat wil zeggen, dat het accent weer meer zou komen te liggen bij eigen verantwoordelijkheid van de afzonderlijke bedrijfstakken. Terwijl de leiding van de regering wat minder strak zou zijn. Als lid van de vereniging kreeg men het periodieke verenigingsblad, De Landarbeider. Dit verenigingsblad hield de leden op de hoogte van het reilen en zeilen van de collega’s in de  regio.

 

Tijdens het veertigjarig bestaan van de vereniging was het feest in Poeldijk. In het jaarverslag staat vermeld, de vereniging telt 285 betalende leden, het grootste aantal uit de veertig jaar geschiedenis van de vereniging. Men mag dus wel zeggen,  de vereniging staat in volle bloei. ‘s Morgens gingen de leden met hun gezinnen naar de kerk voor het bijwonen van een gezongen  H. Mis. Om halfacht in de avond was het St. Vincentiusgebouw vol met dames en heren, allen in hun mooiste kleding, om dit jubileum te vieren. Hoogtepunt van deze feestavond was de uitreiking van het gouden en zilveren bondsinsigne voor de leden die veertig en vijfentwintig jaar trouw lid van de vereniging waren.

 

Pastoor Westdijk feliciteert de gouden speld bezitters, van rechts naar links Jan Heppe, Kees de Brabander, Piet Brabander en Henk van Geest. 

Het was in de tijd dat er ook zaterdags nog verplicht gewerkt moest worden, met een totaal van wel 2500 werkuren per jaar. Het was de wens van de vergadering om zich nu hard te maken voor een vrije  zaterdag.

Op 21 Januari 1963 nam Kees van der Wilk afscheid als voorzitter van deze vereniging. In een dankwoord aan de scheidende voorzitter memoreerde de heer Meester van het hoofdbestuur: “Al was hij altijd niet even gemakkelijk, zijn  verdiensten waren des te groter, hij was er om voor de rechten van de arbeider op te komen”.

De ontwikkeling van de tuinbouw ging in de jaren zestig in een stroomversnelling. Er waren niet alleen tuinarbeiders nodig, er kwam een steeds grotere vraag naar technische vakmensen. De kassen veranderden  in warenhuizen, de kolenketel werd omgebouwd naar oliegestookt. Weer later werd er overgeschakeld op aardgas en het klimaat in de kassen werd geautomatiseerd. Dit alles ging gepaard met een grote omschakeling in het gezinsleven. Na de lagere school gingen de dertienjarigen niet meer als vanzelfsprekend in de tuin werken. Veel schoolverlaters gingen door de grote vraag naar technische vakmensen naar de ambachtsschool. Deze scholen waren er niet in Poeldijk,  hiervoor moest men naar de stad. Daar werd ook veel aan algemene ontwikkeling gedaan. Eenmaal geslaagd op de vakschool stond hen een oproep voor de militaire dienst te wachten. Veel van deze arbeiderszoons kregen hierdoor een andere kijk op het leven. Ze hoefden nu niet meer per se in de kassen hun brood te verdienen.

In korte tijd kwam er een mentaliteitsverandering op gang. Men voelde zich niet meer de mindere. Nee men was vaak beter geschoold dan de tuinderszoons. die vaak direct in de tuin gingen werken. Er ontstond een tekort aan arbeidskrachten op de tuinbouwbedrijven. Steeds meer bedrijven gingen ‘zwart’ bijbetalen en werkten met allerlei premiestelsels om toch maar werknemers te krijgen.

Dit tekort aan arbeidskrachten leidde tussen 1960 en 1975 tot een golf van gastarbeiders. Deze werden door middel van wervingscampagnes, eerst door het bedrijfsleven en al spoedig ook door de overheid, naar Nederland gehaald. Het waren mensen uit landen aan de Middellandse Zee en in het bijzonder uit Marokko. Ze waren goede arbeidskrachten maar schiepen problemen zoals, huisvesting, gezinshereniging, scholing en integratie  (acceptatie) met behoud van eigen identiteit.

De nieuw gekozen voorzitter van deze vereniging, Jan van Koppen, vestigde de aandacht al in zijn eerste rede op de komende structuurwijziging in de vereniging: het samengaan van vier afdelingen in een Nederlandse Katholieke Vakcentrale. Hiervan kwam later ook het woord katholiek te vervallen.

Honderd jaar na de eerste stappen van de Poeldijkse pioniers is alles, mede door toedoen van de vereniging van tuinarbeiders, ten goede gekeerd. De krotten waarin de arbeiders leefden zijn afgebroken, in plaats daarvan zijn er mooie huizen gekomen. De naam arbeider is nu veranderd in medewerker en de scholing is voor iedereen gelijk. Laten we de mensen van het eerste uur niet vergeten en de Jan Olierookstraat niet van naam veranderen maar als een dierbaar erfstuk blijven koesteren.


 

               

Index Boek        Volgende hoofdstuk