Hoofdstuk VIII

 

Een vereniging van tuinders, de LTB

 

Het zou te eentonig worden als we nu na de vereniging van tuinarbeiders ook de vereniging van Poeldijkse tuinders weer uitvoerig gingen behandelen. Deze verenigingen waren zo nauw verwant met elkaar. Toch hieronder enkele punten die belangrijk zijn om een beeld te vormen van haar geschiedenis.

De tuinbouw die in Poeldijk het hoofdmiddel van bestaan was, is gegroeid uit de akkerbouw en veeteelt. In de vroege middeleeuwen was het de gewoonte om bij de boerenhoeven een stukje land te gebruiken voor het verbouwen van fijnere gewassen voor, zoals men het noemde, eigen eet. Eetbare planten die groen geoogst en als ‘groenten’, of warm tot moes gekookt, als ‘warme moes’ gegeten werden. Daaruit is de naam warmoezerij en moestuin ontstaan. Tot aan de middeleeuwen  werd er  weinig groenten gegeten. Na 1500 werd deze groenten pas populair bij de stedelingen. Hierdoor ontstond er langzamerhand vraag naar tuinbouwproducten en werd de teelt van groenten de meest intensieve vorm van landbouw.

 Veel tuinders zijn opgekomen uit de arbeidersstand. Door hard werken, vooral door het verrichten van zwaar werk en spaarzaamheid hebben zij grond kunnen huren of kopen.
 

                       


Al in 1875 organiseerde de Hollandsche Maatschappij van Landbouw van 12 tot 14 oktober een tentoonstelling van land- en tuinbouwproducten in Poeldijk. Poeldijk was nog maar een gehucht en veel mensen leefden van de veeteelt, akkerbouw, fruitteelt en tuinbouw. Zoals een oude catalogus van het genoemde jaar laat zien waren het de Poeldijkse kwekers die exposeerden: Joh. van der Zalm met witte wintertarwe, J. van Kampen met bruine bonen, M. P. van Ruijven met gele bonen, A. Toussaint met blanke aardappelen van de zandgrond en L. Kouwenhoven aardappelen van de kleigrond. Bij de tuinbouwproducten: J.M. van Ruijven met tafelappels, P. van Ruijven met stoofperen, L. van Geest met de grootste appels. De grootste peren waren van Jac. van Kester. De fraaiste trossen blauwe druiven door ‘kunst’ vervroegd van C Enthoven. Blauwe druiven van de koude grond van J. Scheffers. De grootste perziken waren van C.H. van der Hark, de uien van H. van Veen en Delflands boter van Joh. van der Zalm. Dit alles geeft een indruk zoals de mensen zich in Poeldijk, rond 1875, beijverden voor hun dagelijks brood. Ook geeft dit een overzicht van hoe Poeldijk er in die dagen uitzag en hoe de fundering was waarop de tuinbouw werd gebouwd.


                                                   

De eerste druiven door kunst vervroegd kwamen van achter deze fraaie voorzetramen, tegen de druivenmuur geplaatst.

De oprichtingsdatum van de Land en Tuinbouwbond, in de volksmond de L.T.B. was twaalf oktober 1915. Alle personen boven de 18 jaar konden als lid van de vereniging toetreden. Toetreden voor zover zij grondbezitters, pachters of huurders van gronden waren of op andere wijze in de productiviteit van de bodem hun bestaan vonden. De contributie was drie gulden per jaar. Veertig personen tekenden bij de oprichting in als lid van de L.T.B. Een voorlopig bestuur werd gevormd. Dat waren de heren A.C. van Ruijven en J.J. Goeijenbier.
Al op de tweede vergadering werd er een definitief bestuur gekozen. Het waren de heren
A.C. van Ruijven. voorzitter
D. van der Broek. secretaris
J van Kester Nz. penningmeester
A.C. van Zijl en J.J. Goeijenbier. bestuursleden.

In de vele vergaderingen die volgden werden de L.T.B-leden er door de geestelijk adviseur op gewezen, dat een tuinder niet kon volstaan met een loon vast te stellen zonder dat zij zich afgevraagd hadden, of de arbeiders ermee rond konden komen. De arbeider had volgens hem recht op een behoorlijk loon, waarvan hij leven kon, en bovendien nog iets kon sparen voor zijn oude dag. Je kunt investeren wat je wil, daar ben je vrij in, maar je bent niet vrij de arbeiders te weinig loon te geven.
Op 16 maart 1922 sprak de geestelijke verzorger zelf over de verderfelijke invloed der neutrale pers: “Er komt bij ons weinig terecht van het praktische Roomsche leven”. De grote schuldige was de neutrale courant en te weten de Westlandsche Courant. “De grote strijd van voor of tegen Christus zal moeten worden uitgevochten op sociaal terrein. En nu is het logisch, dat een liberaal blad zoals de Westlandsche Courant, verkeerde voeding geeft aan de ideeëngang van onze Roomsche tuinders”. Spreker gaf de verzekering dat men aan de redenering van iemand kan uitmaken welk blad hij leest. Hij spoorde de leden aan de Westlandsche-Courant uit te bannen.
                                                   
                                                    Het vaandel van de standorganisatie L.T.B. Poeldijk

Uitvoerig wees spreker op het nut van de standsorganisatie als middel om de stand hoger op te voeren. Hij wees op het werk, zoals dat door de standsorganisatie van de arbeiders voor de werklieden werd verricht. De Volkskrant, van welk orgaan zoveel ten goede voor de verheffing van de arbeider uitging. “Laten we eerlijk bekennen, ook onder de patroons blijkt wel eens geestelijke armoede te bestaan en we moeten trachten op een hoger peil te komen”.
De voorzitter, A.C. van Ruijven, ondersteunde dan de spreker en sprak: ,”De kerk geeft ons de juiste middelen om een goede sociale verhouding te bevorderen, terwijl het juist de verkeerde liberaaleconomische leerstellingen zijn geweest die de wereld in disorde hebben gebracht”. Uitvoerig wees hij dan op het nut van de standsorganisatie als middel om de stand hoger op te voeren.

De jaren twintig van de twintigste eeuw waren financieel gezien goede jaren voor de tuinders. Er werden in Poeldijk, bijvoorbeeld langs de Wateringseweg, Nieuweweg, Vredebestlaan en Dr. Weitjenslaan, villa-achtige tuindershuizen gebouwd. Van deze gegoede huizen was de indeling groots.
Voor de vele, wat eenvoudige tuinders was er vaak een oud en klein woonhuis met één kachel in de woonkamer, waaromheen een hekje stond ter bescherming van de kleine kinderen en dat bovendien dienst deed als droogrek. In het woonvertrek was maar één lamp waarvan het licht viel op de grote tafel die altijd midden in de kamer stond. Aan de lamp werden in de zomer kleverige vliegenvangers opgehangen. Dit om de brommende lastpakken een langzame dood te laten sterven. Fris was dat niet. Een ouderslaapkamer met de toen zo bekende bedstede beneden. De jongens sliepen op de zolder. Voor de dames werd van een gedeelte van de zolder een meisjeskamer gemaakt.
Tot het einde van de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd het eten gekookt op petroleumstellen. Op een vaste plaats van het aanrecht stonden er vaak wel drie van die kookstellen. Een één, drie en vierpits stel. Een alledaags verschijnsel op straat en tuinderspad was dan ook de olieboer. In Poeldijk waren dat in die jaren onder andere Witteman, Van der Elst, Kamp en Zuiderwijk.
Vlak bij de achterdeur bevond zich de plee, zoals al eerder beschreven zonder spoelwater en waar de krant werd gebruikt als toiletpapier.
Achter het huis stond een schuur waarin zich het waterfornuis bevond. In het waterfornuis, gestookt met boomtakken, werd het waswater verwarmd. Achter de schuur was een bleek (grasveldje) waar de was werd gebleekt en gedroogd, een takkenschelf en de regenwaterput met emmer en touw.

De vader bezat een enorm gezag. Als een van de kinderen, in zijn ogen fout was, was aankijken en toespreken vaak voldoende. Ouders verwachtten in die jaren van hun kinderen maar één ding en dat was gehoorzaamheid. De meisjes trouwden om een nieuw gezin te stichten. De jongens moesten, als het enigszins mogelijk was, tuinder worden op een eigen te stichten bedrijf. De hele opvoeding was daarop gericht.
De kinderen waren van jongs af aan gewend in de tuin mee te helpen. Karweitjes zoals planten water geven, kistjes klaarmaken voor de oogst, plukken, sorteren, wieden en druivenkrenten. Kortom het lichte werk. De jongens werkten met vader in de tuin. Als het erg druk was werkten zelfs moeder en de meisjes even hard mee.
In huis was ook veel werk te doen in de toen zo grote gezinnen. De jongens poetsten vaak de schoenen, wasten de vaat, schilden de aardappelen, maakten de groenten schoon, zelfs beddenopmaken en vloervegen was soms jongenswerk. Al vond je dat echt niet altijd leuk.
De gehele week brak je bij de achterdeur, bij wijze van spreken, de benen over de klompen. Klompen van vader, moeder, en de vele kinderen. Zaterdagmiddag als de mannen van het werk thuis kwamen werden op de stoep aan de slootkant de klompen schoon geborsteld en gewit. Deze gewit-kalkte klompen kregen dan netjes op een rij een plaats in het klompenrek. Als laatste moest dan nog even om het huis worden geharkt. Niet om rommel bij elkaar te harken, maar om de werf van rechte strepen te voorzien.

Voor nieuwe kleding en schoenen was er nauwelijks geld. Moeder was eindeloos aan het sokken stoppen en kleding verstellen. De kleine kinderen droegen altijd de oude kleren van de grote af. Sokken, truien, borstrokken etc. werden allemaal zelf gebreid. Moeder haalde gebruikte kleding stukken uit elkaar om er nieuwe van te maken. Er werd zelfs van de stof van de zakken, waar zaad of kunstmest in had gezeten, onderkleding gemaakt.
Uit school of uit de kerk gekomen, kleedde ieder zich onmiddellijk om. Op de goede kleding moest men zuinig zijn. Ieder droeg thuis in die dagen oude kleren en klompen. Zo konden ze ongestoord spelen en werken.
Was het weer een beetje dragelijk en het werk gedaan dan speelden de kinderen buiten; in de tuin en om het huis. Ze bouwden van raamstijlen en kisten hutten. Er werd ook veel aan de slootkant gespeeld. Er werden dan vlotten gebouwd of gevaren met een bootje, zelf van een oude klomp gemaakt. Was heel leuk. De sloten en vaarten betekenden behalve vreugde ook verdriet. Er verdronken nogal eens kinderen..
Als het s’ avonds ging schemeren was verstoppertje, tikkertje of spoorzoeken een fijn spel. Als speelgoed voor buiten waren er hoepels, tollen en knikkers en niet te vergeten de platte spijker om landje te veroveren. De meisjes speelden buiten vaak met ballen en springtouw.

Het tuindersgezin ging in de jaren dertig zelden of nooit op vakantie. De kinderen mochten in de grote vakantie wel eens bij tantes en ooms logeren. Een dagje met het hele gezin uit was toen b.v. een wandeling naar Monster, naar het strand of de speeltuin van Cor Boon aan de Zwartendijk. Daar stonden dan wat simpele speelattributen die je met wel honderd kinderen moest delen. Waren de limonade, de kaakjes en je lunchpakket van thuis meegebracht op, dan ging de kudde weer voldaan naar huis.
Over het algemeen kregen tuinderskinderen geen loon, enkel wat zakgeld. Dat laatste was centenwerk in die jaren. Als ze iets nodig hadden, kregen ze dat wel. Ouders spaarden voor de meisjes de uitzet en voor de jongens tuinland bij elkaar.
Over het huwelijk werd nog wel eens moeilijk gedaan. De economische kant ging vaak voor de liefde. Een bekend gezegde in die dagen was: “Het Evangelie van de tuinder staat op zijn veilingbrief”. Vele ouders keken raar op als hun dochterlief met een de door haar hevig beminde arme sloeber kwam aanzetten. “Waar moeten jullie van leven?”, vroegen ze ongerust. “Neem toch de buurjongen met die mooie tuin”. Af en toe slaagden de ouders er nog wel eens in zo’n huwelijk naar hun hand te zetten. Soms nam de dochter de benen en trouwde met haar geliefde. De liefde moest zegevieren. Het tegenovergestelde kwam ook voor. Eenvoudige vrouwen verzekerden zich door het huwelijk van een dak boven haar hoofd en een zekere mate van verzorging. Mannen verschaften zich, bij zo’n standsverschil, van een gratis hulp in de huishouding en kwamen zo aan hun seksuele gerief. En de liefde? Ach, die kwam vanzelf wel. Of niet.

Na de beurskrach van 1929 trok de crisis in de tuinbouw als een orkaan over het Westland. Jan Barende sprak namens het Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen de L.T.B.-leden als volgt toe: “Het is voor de werkgevers maar ook voor de werknemers haast ondoenlijk om het elkaar naar de zin te maken. Bij vele tuinders zijn de reserves op en laat de toekomst zich al donkerder aanzien”. Daarbij werd de sterke ontwikkeling van de glastuinbouw in de jaren twintig gememoreerd. Ook de tolmuren die in het buitenland werden opgebouwd ter bescherming van eigen land. Er zijn in 1931 naar Engeland uitgevoerd 28 miljoen kg. tomaten. In 1932 daalde dit aantal tot 9 miljoen kg. De gezamenlijke tuinbouwbonden, Bond Westland en de Westlandse veilingen hebben toen bij de regering aangedrongen op steun voor de tuinbouw. Het resultaat loog er niet om: vijf miljoen gulden steun. Aan de crisis-steunwet 1933 werd tegelijkertijd verbonden een teeltbeperking, gezien de grote hoeveelheden doorgedraaide producten in het voorgaande jaar. De leden waardeerden zijn helder betoog en het resultaat bij de regering bereikt.
In de oorlogsjaren 1940 – 1945 was er ook voor de L.T.B leden een vergaderverbod.
Na de bezetting kwam het verenigingsleven weer snel op gang. De eerste L.T.B-vergadering na de oorlog werd in augustus 1945 gehouden. Een nieuw bestuur werd gekozen, met name de heren
G.H. v. d. Berg, voorzitter
L.J. Barendse Jz., secretaris.
Jac. v. Leeuwen, penningmeester.
Voor herstel van de tuinbouwbedrijven, geleden in de oorlogsjaren, was er in de beginperiode geen glas beschikbaar. Eerst moesten de glasfabrieken weer op gang komen en de huizen en gebouwen weer worden voorzien van het nodige vensterglas. De L.T.B. ging in die dagen aandacht schenken aan scholing, zoals de oprichting van een middelbare tuinbouwschool in De Lier. Ook kwam er een cursus spreken in het openbaar en een boekhoudbureau. Later volgde de oprichting van de Poeldijkse Tuinbouwstudieclub.


In de jaren zestig werd er op de tuinderijen overgeschakeld van stoken met kolen naar zware stookolie, wat een hele vooruitgang was. Men hoefde niet meer dag en nacht bij de ketel te staan om het vuur brandend te houden. De omschakeling van vaste brandstof naar zware stookolie bracht een grote verandering en investering teweeg. Bovendien bood de zware olie goede mogelijkheden om het stookbedrijf te automatiseren. De LTB had er handen vol werk aan, om met de regering te praten over lastenverlichting. Het betrof hier het terugsluizen van oliebelasting om de oliestook rendabel te maken voor de tuinbouw. Zo rond 1965 was de overschakeling van kolen op olie een feit. De tuinbouw was technisch gezien een grote stap vooruit. De ontwikkeling stond niet stil. Er werd in 1962 in de bodem van Groningen één van de grootste aardgasvelden ter wereld aangetroffen. Heel Nederland stond op zijn kop. Er werd vanuit Groningen een buizennetwerk gegraven en weer werd er overgeschakeld, maar nu op aardgas. Dat was niet alleen goed voor het milieu, maar ook kon men nu door automatische stooktechniek in de tuinbouw veel mensvriendelijker werken. In zo’n korte tijd twee keer overschakelen was voor velen een zware financiële last. Ook waren er de zogenaamde onrendabele gebieden (ver afgelegen bedrijven) waar de Nederlandse Gasunie onvoldoende winst in zag. De Gasunie wilde deze afgelegen tuinbouw bedrijven niet aansluiten op het landelijke aardgasnet, ze waren, zo sprak men, onrendabel. Dankzij de enorme inzet van de voorzitter van de Poeldijk-se LTB, de heer Cor Grootscholten, werden ook zij, die op afgelegen plekken woonden op het gasnet aangesloten.


De Poeldijker Cor Grootscholten, geboren 23 november 1921, verdient wat extra toelichting. Groot-scholten was in de jaren zestig een groot LTB-bestuurder, voorzitter van de afdeling Poeldijk en van de kring Westland. Ook was hij nauw betrokken bij de oprichting van de tuinbouwstudieclubs in het Westland. Aanvankelijk was hij groenteteler. Geleidelijk is hij geheel overgestapt op de bloementeelt (strelitzia), met enthousiasme en kennis van zaken op alles wat met de teelt te maken had. Daarbij pakte hij gemakkelijk bestuurlijke verantwoordelijkheden op en wist door zijn innemend optreden veel te bereiken.
Grootscholten werd in 1967 tegelijkertijd voorzitter van de ‘Vakbond Bloemisten’ van de L.T.B. Hij had zitting in veel commissies en organen, zoals de HLO-Westland, de Tuinbouwstruktuurkommissie Zuid-Holland en de provinciale Raad voor Bedrijfsontwikkeling. Ook was hij tot april 1973 voorzitter van de gewestelijke Raad van het Landbouwschap. In KNBTB (Katholieke Nederlandse boeren en Tuinders Bond) verband was hij actief als voorzitter van de bloemkwekervakbond. Was betrokken bij de oprichting van de Westlandse middelbare tuinbouwschool. Bovendien zat Cor in de landelijke Raad voor de Bedrijfsontwikkeling van het Landbouwschap en in de Landbouwschap-commissies Belasting en-Gas.
Als een echte leider nam hij deel aan de besturen van LTB-instellingen, waarin hij ging functioneren bij: de Grondzakendienst, Onderwijsvereniging en het Boekhoudbureau LTB. Daar werd hij in 1963 lid van het bestuur en in 1967 bestuursvoorzitter. Grootscholten was de grote promotor van de analyseboekhouding en vroeg en kreeg speciale aandacht voor bedrijfseconomische begeleiding van de Westlandse teelten. Door zijn optreden in zijn functies en het spreken van duidelijke taal, voegde hij met zijn gevat optreden veel waarde toe aan deze activiteiten.
Op april 1973, Cor ging even een paar dagen naar de Canarische eilanden voor het zoeken naar een beter soort strelitzia. Daar werd hij helaas getroffen door een dodelijke hartinfarct. Hiermee kwam helaas, veel te vroeg, 51 jaar, een einde aan het leven van deze vitale en bruisende tuinbouwleider. Cor Grootscholten had nog zo veel voor Poeldijk en zijn inwoners kunnen betekenen. Voor zijn werk in het ondergronds verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog mocht zijn vrouw Jo Grootscholten-Zwinkels postuum het verzetsherdenkingskruis ontvangen.
Tijden veranderen en Poeldijk veranderde mee en dat is maar goed ook. Levenskracht schuilt in het vermogen om te leven en leven is veranderen. De lange, smalle tuinen waren economisch niet meer verantwoord, zoals de bakfiets dat ook niet meer was. Vandaar de reconstructie die systematisch ter hand werd genomen.
                           

De reconstructie bracht grote veranderingen in het landschap. Sloten werden gedempt en wegen voor ontsluiting aangelegd. De tuinder, uit het begin van de twintigste eeuw had kans van slagen door hard te werken. Als men maar goed spitten en sjouwen kon kwam men er wel. In de jaren zestig veranderde dat. De tuinder moest ondanks zijn harde werken ook over technisch inzicht beschikken. Regenleiding aanleggen, de oliebrander onderhouden en niet te vergeten het openzetten en weer sluiten van de luchtramen van hand bediend overschakelen naar mechanisch. In de jaren tachtig kwam daarbij ook nog eens de administratie om de hoek kijken. Eerst kreeg de boekhouder een sigarendoos vol met rekeningen overhandigd en daarbij de afschriften van de bank met de ontvangsten en uitgaven. Daaruit moest hij dan maar een balans opmaken. Dit alles veranderde in een papierwinkel met aanvraag zus en aanvraag zo. Bij bank, gemeente en provincie. Ook het milieu ging zijn eisen stellen. Een middelbare tuinbouwschool opleiding is minimaal nodig om als ondernemer-tuinder je mannetje te staan.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staan we aan de vooravond van een ingrijpende metamorfose. Er is een Integraal Ontwikkelings Plan Westland, genaamd I.O.P.W. oftewel ‘Het nieuwe Westland’. Een Westlands toekomstplan waarin de zeven gemeenten samenwerken. In dit plan wordt gewerkt aan een grootschalige reconstructie van glastuinbouw in het hele Westland. Zij streven naar een verbeterd wegennet, florerende bedrijfsterreinen, en goede voorzieningen voor toerisme en recreatie. De LTB opgegaan in een Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie de WLTO heeft bij dit alles in de toekomst voor zijn leden nog vele bruggen te slaan.


                                                                   Burgemeester Kampschöer
                                           

Een bekend charismatisch leider uit het verleden van de LTB was G.W. Kampschöer. In 1922 werd hij burgemeester van de gemeente Monster. Hij kwam niet van hier. Hij is geboren in Elst (Gelderland). In 1925 kreeg Kampschöer zitting in de Tweede Kamer. Van 1929 tot 1941 en na de Tweede Wereldoorlog opnieuw van 1945 tot 1958 werd hij voorzitter van de landelijke land-en tuinbouworganisatie. Hij werd voorzitter omdat men een boven de partijen staan figuur wilde hebben, gezien het ongelijksoortige karakter van de bond (boeren en tuinders). Kampschöer heeft zich speciaal ingezet als de economische motor van het Westland in zijn jaren. Vooral tijdens de crisisjaren van 1930 tot 1939 zette hij zich met vasthoudendheid in voor het verkrijgen van steun bij de regering voor de agrariërs. Bovendien was hij een van de voorvechters voor het R.K.tuinbouwonderwijs in Poeldijk.

 


 

               

Index Boek        Volgende hoofdstuk