Een dag uit het leven van…

 

In mijn hoofd dwarrelen allerlei herinneringen uit mij jeugd. Van mijn familie, de school, de straat en alle gebeurtenissen die wij in ons dorp beleefden. Ik zal hier een fictieve dag schetsen zoals die eruit had kunnen zien in mijn lagere school periode. Dat was de periode 1959 tot en met 1965.

 

Wij woonden aan de Vredebestlaan  aan de overkant van de Nieuwe Weg op het hoekje van de Casembrootlaan (in de volksmond hoekje Kaas en Brood).

Aan de overkant van ons huis liep de treinrails waar dagelijks wagonladingen kolen werden gelost in de schuiten van schippers die deze kolen weer naar de tuinders vervoerden. Wij lagen nog te slapen als er zo’n wagon werd geopend en de kolen over stalen schuifplaten in de schuit schoven en vielen. Een kabaal van jewelste maar we waren er aan gewend geraakt. Ik heb daar uren door mijn kamerraampje naar zitten kijken.

Mensen uit de buurt gingen dan naderhand kolenvissen. Want er voel nogal wat naast de boot in het water en daar kon je toch al gauw een kacheltje mee stoken. Ik meen me te herinneren dat er bij ons aan de overkant ook bordjes langs het water stonden met daarop de tekst ”Verboden kolen te vissen”  Jammer dat we daar geen foto van hebben.

Vroeg in de ochtend kwamen er al hele ritsen tuinderschuiten langs vol met groenten. Er werd vanaf de kant geboomd. Dat wil zeggen dat de tuinder op de kant liep met een vaarboom in de schuit gestoken zodat hij vanaf de kant kon duwen. Na de veiling in de middag voeren er dan grotere boten door de Nieuwe vaart ( zoals de Petronella) weer richting Den Haag om het spul daar weer aan de man te brengen. Den Haag dat was vroeger een eind weg.

Als kleuter heb ik een gedeelte van mijn studietijd op ‘het politiebureau’ doorgebracht . Dat waren twee klas lokaaltjes in de Voorstraat bij de winkel van bakker Bom en het slopje (oude hoofdstraat van de Poeluk) Dit was geloof ik een voormalig politiebureau. In die tijd is ook de nieuwe kleuterschool aan de dr. Weitjenslaan gebouwd en heb ik daar ook nog een jaar bij Juffrouw Annie in de klas gezeten.

Op de lagere school zat ik aan de A kant van de school en dan had je resp. van de eerste naar de zesde klas Juffrouw van Dijk, Juffrouw Tanke (die kwam altijd met de solex met een grote zwarte leren jas aan uit de richting van Wateringen aantuffen), Meester Gerbrands, meester Bom (rookte cabalero in de klas), Meester Treurniet (rookte Lexington in de klas) en meester Verschuur (rookte cabalero in de klas). Kijk, dat kon toen allemaal nog.

Een maal in de week was er klassenmis in de kerk. Haartjes gekamd en met mijn brood in een zakje naar de kerk. Want je mocht niet eten voor de Mis. Na de mis konden we ons broodpakketje opeten in de hal van de Bartholomeus jongensschool. Voordat de school dan begon konden we nog even buiten op straat spelen voordat de bel ging. Ik meen me nog te herinneren dat er aan het einde van de Verburghlaan achter de oude gymzaal nog een weilandje was met een speeltuin met wat schommels en wippen. Als gymleraar herinner ik me Sjors Kont, een man die tot zijn pensionering nog ondersteboven in de brug op zijn schouders stond. In de derde en vierde klas stonden we dan vaak bij de voordeur van meester Bom of van meneer Gerbrands te wachten totdat ze naar buiten kwamen. Wie mocht de tas dragen.?? Soms gingen we voor schooltijd nog even op het landje van Luyk voetballen  of we gingen spelen in de grote bunker die toen nog naast de jongensschool stond. Soms werden daar nog wel eens kogels gevonden, werd er gezegd. Het zal wel maar ik heb er nooit een gevonden in die donkere gang van die bunker.

Als we voor de school in de Verburghlaan speelden kon er ook een licht belletje klinken als de kapelaan of pastoor met zijn ene hand in zijn binnenzak voorbij kwam fietsen. Er fietste een misdienaar voor de kapelaan uit met het belletje die ons waarschuwde dat het lichaam van God voorbij kwam en dan was het de bedoeling dat je dan knielde op straat en een kruis sloeg. Er werd dan een hostie gebracht naar een zieke die niet in de gelegenheid was om ter communie te gaan in de kerk.

Soms hadden we wat centen om wat snoep te kopen bij het winkeltje van van Rijn in de Voorstraat waar we eindeloos konden twijfelen wat we voor onze dure centen wilden kopen en de winkelmevrouw met engelengeduld de snoepmolen voor ons rond draaide totdat we eindelijk gekozen hadden. Of we gingen naar het winkeltje van van der Zeyden aan de Verburghlaan,  waar we wielrenplaatjes met een plakje kauwgom konden kopen. Het was in de tijd van Anquetil en Ab Geldermans en Woutje Wagtmans. En het was dan natuurlijk in de pauzes of voor schooltijd nog dubbele plaatjes ruilen.

Dan ging de schoolbel. Hoofdmeester Verschoor kwam dan met een grote bel naar buiten en begon dan in een vast ritme te bellen zo van Kading kading kadinkedading etc. Allemaal opstellen op de stoep voor de school, en twee aan twee per klas naar binnen.

We leerden waartoe wij op aarde waren en Maan, zaag, Fien, vier, koek schoen, dak, Jan, bel, hek, ring, Wim, hut, juf, tuin, duif, Guus, zeep, touw, slee etc.

In de schoolpauze moesten we op de speelplaats blijven waar regelmatig wat geworsteld werd, alle jongens eromheen en roepen soep, soep, soep, balle, balle, balle, hoi, hoi, hoi

Totdat de kemphanen uit elkaar werden gehaald door de meesters of juffen die op het plein surveilleerden.

Of we sprongen bokkie vanaf het luik van de kolenkelder en dan iedere keer de bok een stukje verder van het luik. En wie als langste vanaf dat luik over de bok durfde te springen.  In die tijd kwamen ook al de eerste plaatjes van de Beatles, die we met elkaar ruilden.

Als je ‘handvang’ wilde spelen en je had te weinig kinderen die mee deden dan sloegen we de armen om elkaars schouders en liepen dan het schoolplein rond uitroepend: “Wie doet er mee handvang, wie doet er mee handvang?” etc . etc. Totdat we genoeg jongens bij elkaar verzameld hadden om een grote sliert te kunnen maken zodat bij het spelletje handvang niemand meer kon ontsnappen.

In die tijd kwam ook het eerste negerjongetje in het dorp. Een goedlachs ventje met kroeshaar. Iedereen wilde dat wel voelen en streek met de handen over zijn hoofd. Razend interessant. Dat jongetje kwam uit de missie. Daar hadden wij nu jaren zilverpapier en doppen van yoghurt en vlaflessen voor gespaard. Daarvan was hij nu naar ons toe gekomen. Hij heette Timboy. Hij liep heel swingend en had het altijd naar zijn zin.

‘Jan met de Pet’ kwam vaak door de straat om de straat te vegen en hij had altijd wel een grapje te vertellen. Anders vroegen wij het wel aan hem: “Jan heb je nog een mop”? en dan zei hij zoiets van : Ja, kijk maar uit anders slaat ik met m’n bezem voor je kop”. Of Rienus de voddenman kwam met zijn pruttelkarretje door het dorp luid roepend Lorrrrrrrrrrrrrrr.

Uit school speelde we vaak in de slootkant en gingen we kikkervisjes vangen of salamanders of we gingen een dam in de sloot maken van het afgemaaide riet en gras dat in de kant lag. Daar waren de tuinders uit de buurt dan natuurlijk weer niet zo blij mee maar wij waren lekker weer een middag bezig geweest. Regelmatig moesten er bij ons natuurlijk kistjes ‘gepapierd’ worden voor de tomaten. Vroeger een losse rand met een bodem later een soort inlegvel dat zich automatisch in het kistje plooide. Mijn vader had nog zes kastjes met druiven dus in het voorjaar was het helpen met krenten. Wij als jonge kinderen mochten ‘de onderste trosjes’ doen, De ouderen (vaak huisvrouwen die wat bij wilden verdienen) zaten op een trap. Als wij achterom naar boven keken konden we zo onder de rokken van die vrouwen kijken en konden we zien waar de kousen ophielden en de grote witte onderbroek begon. Spannend hoor.

In het begin van de jaren zestig hadden wij nog geen waterleiding en werden we in een grote zinken teil gewassen (alleen op zaterdagmiddag). Door de weeks was het met de kop onder de pomp, een natte washand in de nek en over de vuile handen en knieën en klaar was Kees. Na het eten werd het rozenhoedje gebeden , met de blote knieën op de kokosmat en dat duurde altijd een eeuwigheid, met alle oefeningen van geloof, hoop en liefde en de hele litanie. Volgens mij waren we roomser dan de Paus.   

Dan naar bed, met het wijwaterbakje naast het hoofdeind, dat in de winter keihard bevroren was. En dan keek ik door het raam van mijn kamertje nog naar buiten en zag ik met een zekere jaloersheid dat andere kinderen nog buiten mochten spelen terwijl ik al in mijn pyama zat. Maar dat heb je als je jong bent, dan wil je alles wat grote kinderen ook al mogen. Nu ben ik groot en speel ik net zo lang buiten als ik wil.

 

 

©Jan Scholtes

Heden woonachtig in Den Haag