Wat wil je worden als je later groot bent?

 

In de zesde klas werd het tijd dat we eens over later moesten gaan nadenken want we zouden de lagere school gaan verlaten. Nu was ik nog druk aan het hutten bouwen en 'later'  was nog een hele tijd ver. Mijn pa vroeg me of ik misschien tuinder wilde worden, want dan wist hij of hij nog moest moderniseren. Ik wist niet veel zeker in die tijd maar tuinder worden wilde ik zeker niet. Ik mocht altijd de onderste padjes in de lage kasjes plukken en haalde voortdurend mijn hoofd open aan het roestige ijzerdraad. Vroeg opstaan en zware manden met tomaten sjouwen dat sprak me niet zo aan. Wat ik dan wel wilde worden wist ik ook weer niet. Wat was er zoal te koop? In onze kleine omgeving zag je maar een beperkt aantal beroepen. Keurmeester bij de veiling leek me wel wat want die had schone nagels, hoefde alleen maar naar de producten te kijken en ze een cijfer te geven, daar werd je volgens mij niet zo moe van. Of werken op de kistenfabriek van Scheer tegenover de veiling. Het rook er altijd zo lekker naar zaagsel maar er kwam altijd zo’n herrie uit die fabriek wanneer wij er met de schuit langs kwamen. Vertegenwoordiger was ook een keuze. Lekker met een grote leren jas aan op

 

een brommer bij de tuinders langs gaan en lekker kletsen terwijl de tuinder hard door bleef werken. Je kon kletsen zonder zelf een hand uit te hoeven steken. Maar dat viel af toen ik mijn vader bij het horen van de brommer hoorde mompelen: “Daar komt die kletskous weer, wel lullen en je van je werk afhouden dat kan die”. Toen wist ik dat dit niets voor mij was.

Graskanten maaien was ook nog een optie, lekker de hele dag in de slootkant zitten. Maar ik zag wel dat je daar een kromme rug van kreeg door de hele dag gebukt met die zeis te staan maaien. Ook niks dus. Ik heb nog een blauwe maandag bij een bakker (Wubben) geholpen en bij een melkboer (Nol van Koppen) maar in de winter was dat toch ook kou lijden. Bij de bakker was het wel lekker warm maar het bakken van eierkoeken stonk zo geweldig naar ammoniak dat ik dat ook al snel niks vond.

Mijn moeder vroeg of ik dan misschien priester wilde worden. Dat vond ik helemaal niks, dan zou ik iedere dag naar de kerk moeten en aangezien ik ook al misdienaar was geweest wist ik hoe vies die wijn was die je dan altijd moest drinken.

Dan maar naar meester Verschoore want ik had gehoord dat die een groot beroepenboek had. Daar stond werkelijk ieder beroep in, dat kon dus niet missen. Het zag eruit als een woordenboek met alle beroepen op alfabet. De beroepen duizelden me voor de ogen. Mijn vader had nog gezegd als je later 200 gulden in de week verdiend dan doe je het niet slecht. Maar er stond bij geen een beroep bij wat je er mee kon verdienen.

 

Toen ik uiteindelijk bij zakkenvuller was aanbeland was ik er uit. Dat moest het worden. En ik ging alvast oefenen.

Dagelijks vulde ik de zakken van mijn korte broek met steentjes, stiekies en andere prullaria om te voelen hoe het beroep van zakkenvuller zou wezen. Maar ik liep voor schandaal met twee van die grote bobbels in mijn broek. Het zitten werd ook niet prettiger met al die steentjes in mijn kontzak. Dat werd het dus ook niet.

Ik verliet de lagere school zonder te weten wat ik worden wilde. Dan maar naar de ULO aan de Irenestraat bij meester Schunselaar. De echte grote school. Er waren er in de klas die naar de HBS mochten in Den Haag, een paar jongens gingen naar het seminarie , een groot aantal jongens naar de technische school in Den Haag.

De groep waar we 6 jaar mee op waren getrokken viel uit elkaar, we gingen ieder ons weegs een nog onzekere toekomst tegemoet.

 

©Jan Scholtes