Klassikaal ter biecht

Als je de eerste communie had gehad dan was het goed gebruik , of zelfs een plicht, om ter biecht te gaan. Voor de niet katholieken en jongeren onder de lezers is dit waarschijnlijk een onbekend begrip. De biechtgang was een onderdeel van het R.K. geloof dat je je zonden kon opbiechten en dat je daar dan vergeving voor kreeg zodat je zieltje weer wit was. Daarvoor moest je na de biecht een tegenprestatie leveren en dat was de penitentie. Dat betekent dat je een paar gebedjes moest bidden die waren opgegeven door de biechtvader. De biechtvader dat waren de geestelijken dus de kapelaans en de pastoor van de parochie.

Om er op toe te zien dat wij als jeugd daar ons aan hielden gingen wij klassikaal ter biecht. Dat hield in, twee aan twee lopen naar de kerk alwaar je bij de verschillende biechthokjes naar keuze plaats kon nemen.

Natuurlijk vonden we het niks en deden er lacherig over maar het was toch ook telkens weer een beetje spannend. Want, wat had ik te vertellen aan de kapelaan. U ziet dat van het biechten toch wel een zekere druk uitging om bij jezelf na te gaan wat je allemaal had uitgevreten. Nou was dat niet altijd zo bijzonder, een lik uit de suikerpot, een koekje ‘stelen’ uit het koekblik, een leugentje om bestwil en ‘oneerbiedig’  (= brutaal) geweest naar mijn moeder. In de klas hadden we de 10 geboden gehad en daar had je een goede leidraad mee om er achter te komen of je een van de tien geboden had overtreden.  Volgens mij stond er ook nog zoiets als “Gij zult geen onkuisheid begeren”. Wat ik daar nou mee moest in mijn korte broek, dat begreep ik toen niet zo. Verder waren er nog de 5 geboden van de kerk maar daar ben ik alles van kwijt. Wie ze nog weet die mag het zeggen.

We hadden in die tijd een knecht op de tuin die bij het tomatenplukken ons ook nog een handje hielp om het begrip ‘zonde’ uit te leggen.

Hij zei altijd: “Weet je wat zonde is? , Dat is je brood droog opeten en de boter aan je kont smeren”. Nou inderdaad, dat begrepen we ook wel, natuurlijk is dat zonde van de boter.

Om nou niet telkens met dezelfde ‘zonden riedel’ aan te hoeven komen werd er wel wat creativiteit gevraagd van de jonge biechteling. Een manier was om telkens bij een andere biechtvader langs te gaan zodat het niet zou opvallen dat je telkens hetzelfde rijtje zonden opzei, of je kon ook zonden uitwisselen met elkaar als je in de kerkbank voor de biechtstoel op je beurt zat te wachten. “He, wat zeg jij altijd?” fluisterde je dan met je buurman en zodoende deed je ook nog wat vondsten op waar je zelf nooit opgekomen zou zijn.

Mijn favoriete biechtvader was kapelaan Oudejans. Bij die man was je snel klaar en zijn penitentie was goed te doen. Een paar Wees gegroeten en Onze Vaders en je was klaar. Bij anderen kreeg je er nog wel eens een confiteor  extra achteraan (= schuldbelijdenis in het Latijn)  Die penitentie moest je gescheiden van je klasgenoten (een paar banken verder) vervullen. Op de knieën met de handen voor de ogen zat je dan ernstig je schuld te belijden.

Hoe lacherig we er ook over deden maar  op de een of andere manier haalde ik het toch niet in mijn hoofd om me er met een Jantje van Leiden vanaf te maken. Op de een of andere manier was ik toch bang dat God toch nog ergens vanachter een wolkje mij in de gaten hield om toe te zien of ik mijn penitentiebeker wel helemaal tot op de bodem leeg dronk.

Maar het diende een heel goed doel want als je de kerk uit liep was je zieltje weer wit en het leek wel of je er ook lichter van ging lopen. Zo, dat zat er weer op voor een maand. Weer een tijd in de kerk gezeten met dat mooie weer, dat was nou zonde.

©Jan Scholtes