Met de schuit naar de veiling

Ik heb nog zoín blijvende herinnering aan de veilingschuit. De keren dat ik mee ging naar de veiling. Soms was de schuit vol en was er amper plaats om je kont te keren . De lading kon ook nog al eens verschillen. Je had de tomatentijd en dan was het alleen maar tomaten, dan weer komkommers of bloemkool. Wij hadden nog veel kassen met druiven dus in de druiventijd waren dat weer druiven. Verder hadden we ook nog twee kasjes met pruimen. In de winter sla of spinazie en regelmatig hadden we ook radijs. Zie hier het assortiment dat een tuinder vroeger in de aanbieding had.

Als ik met mijn vader mee ging naar de veiling dan zat ik op het roer en mocht ik sturen. We hadden geen schuit met een motor, nee onze schuit werd met spierkracht aangedreven. Als we door een sloot met veel bomen aan weerskanten vaarden dan werd de schuit aangedreven door door een stok vanaf de schuit zelf waar je dan tegen moest duwen. Als we in de Nieuwe Vaart waren dan ging dat vanaf de kant, dat noemde je dan bomen. Ik herinner me nog dat er alleen nog maar de oude veiling stond waar de tuinders met hun schuiten doorheen moesten varen om langs de klok te gaan. Links was dan de veilingklok en rechts was een tribune met kooplui die een hoop kabaal maakten en fel op knopjes drukten om de gewenste groente of fruit te kopen.

Aan de andere kant vaarde we dan weer naar buiten en moesten we telkens een gedeelte van de vracht bij een andere loods afleveren al naar gelang wie er wat gekocht had bij de klok. Dat was een heel gedoe met al die schuiten die overal iets moesten afleveren en door elkaar heen vaarden. Als er geen plek was om aan te leggen dan was het springen van de ene naar de andere schuit met de kistjes in je handen om ze bij de betreffende loods af te geven. Het leek dan wel het VenetiŽ van het Westland. Later is daar de grote neerzethal neergezet zodat alles op een plek afgeleverd kon worden. Als we los waren dan moesten er weer lege kistjes opgehaald worden en dat gebeurde bij de kistenloods van Bol. Deze lag ook aan de veilinghaven. Als we dan weer vol waren geladen met leeg fust dan moesten we ook nog langs de waterkraan die aan de walkant was aangebracht. Het was namelijk zo dat wij tot 1963 nog totaal geen waterleiding hadden in huis. Al die voorzieningen hielden op bij de Nieuwe Weg. Om toch waswater etc te hebben haalden we dan bij die waterkraan een grote kit en een grote teil met water. Deze stond altijd op de schuit zodat we telkens , als we aan de veiling waren , water konden bijvullen.

Toen ik wat groter was mocht ik vaker zelf alleen met de schuit naar huis varen. Dan gebeurde natuurlijk wat alle kleine jongens wel eens hebben ervaren die toen met de schuit mochten varen, dat de vaarboom in de bagger van de bodem vast zat gezogen. Die kon je dan niet zelf lostrekken en de schuit ging verder. Dat was lastig. Die vaarboom die moederziel alleen schuin omhoog uit het water stak midden in de sloot. Dan was je blij als er een andere schipper langs voer die je dan even kon helpen die boom weer uit de bagger te trekken.

Het gebeurde ook nogal eens dat ik als klein jongetje op het roer van de schuit heen en weer zat te donderjagen en dat het roer dan plotseling naar een kant doorsloeg  zodat je dan pardoes in het water donderde.

Toen was het allemaal heel normaal maar als ik het zo memoreer lijkt het wel een verhaal uit een hele ouderwetse streekroman. Wat vliegt de tijd.

©Jan Scholtes