De Vakantiehagenees

Westlanders zijn een apart volkje en dat valt pas goed op wanneer er een buitenstaander tussen zit. In de zomervakantie was de behoefte aan extra handen in de tuinderij enorm.
Wij, als uit de klei getrokken Westlanders waren opgevoed met vroeg opstaan en voordat je naar school gaat nog even een paar uur je vader meehelpen om de tomaten eraf te krijgen. Half vijf opstaan en vijf uur aantreden was bij ons vaak meer regel dan uitzondering.
Onze hele manier van met elkaar omgaan en ons eigen taaltje viel niet op wanneer wij met elkaar waren, maar was er een Vakantiehagenees bij dan viel dat des te meer op.
Zo waren we op een ochtend aan het begin van de schoolvakantie om vijf uur begonnen met het plukken van de tomaten bij een tuinder wiens naam ik niet zal noemen.. De stemming zat er al lekker in, radiootje aan op radio Veronica met Eddy Becker, de man met de wekker, toen er om half zeven een jonge knaap de kas in kwam lopen. Het betrof hier een echte Vakantiehagenees. Netjes in de kleren, haartjes netjes gekamd en met een verwonderende blik in de ogen.


- “Zo, jonguh, wat dachie, ik kom wel asse ze klaar benne?”, vroeg de tuinder.
- “Ik kon het niet zo goed vinden tuinder”. Zei de knaap,
- “ Het lijkt hier allemaal zo op elkaar met al dat glas”.
- “Zo, vin je dat, nou pak maar een karretje met een bak uit de schuur en begin maar,
Asse we nog langer klesse beurt er niks en de veiling wacht niet”
.
De knaap bleef even staan, wist niet waar hij het allemaal zoeken moest maar uiteindelijk was hij toch aan het plukken. Na een uur klonk er achter uit een padje de vraag:
- “ Tuinder wanneer gaan we ontbijten?”
- “ Schoften zal je bedoelen” antwoordde de tuinder,” Hoezo, je hep nog geen hol gedaan, dan ken je ook geen honger hebbe”.
- “ Nou, ik vraag het maar” reageerde de knaap verontwaardigt..


Toen we na verloop van tijd in de schuur zaten te schoften was de tuinder niet blij toen hij de padjes van de Hagenees had nagelopen.


_ “ Nou, jongeh, ik ken nie zegge tot ik wat an je heb, je laat rijpe tomate hange en de kroontjes benne bijna allemaal van de tomate, daar benne ze op de veiling heeelemaaal niet blij met, trouwens je hep het tempo van een oud wijf, jullie stadsmense kenne nie werrukuh, wat doe je vader eigeluk?”
- “ Mijn vader werkt bij de HTM en rijdt op de tram”, antwoordde de knaap.
- “Oh, op de trem, dat is niet werruke, da krijgie geen vuile handu van”, zei de tuinder.
- “ Oh, maar mijn vader werkt heel hard, trambestuurder is heel zwaar werk” zei de jongen
- “ Hoezo, zwaar werruk, moetie um soms optille dan?" Vroeg de tuinder. “ Nee, weet je wat jij mot doen jonguh. Ik ben blij tot ik ie hep leruh kennuh maar ik heb niesoveel anje, je rijt de struikuh uit de gront en volgus mijn benje ook kleuruhblind, eet juh brood lekkerop en gajuh pa maar hellepuh op die zware trem vannum”.


Op de een of andere manier vond ik dat gesprek toendertijd helemaal niet zo raar, ik was het Westland nog niet uit geweest en Hagenezen wisten niet wat werken was, dat vonden wij toen ook. Ruwe bolster, blanke pit die Westlanders. Eigenheimers van het zuiverste water,maar soms…

 

 ©Jan Scholtes