'Jan Soldaat

In mijn militaire dienstijd van 1972 – 1973 was de Nederlandse soldaat in het buitenland niet bepaald het visitekaartje voor Nederland. De N.V.V.M. (de Nederlandse Vereniging Voor Militairen), een soort van soldatenvakbond, had in die tijd flink wat in de melk te brokkelen. Er heerste in die tijd een sterke anti-autoritaire houding. De oorlog in Vietnam zal daar zeker ook zijn steentje aan hebben bij gedragen. De haardracht voor de militairen was vrijgegeven en dat gaf veel potsierlijke plaatjes. Baretten, waaronder haren tot ver over de schouders te zien waren. Als de helm gedragen moest worden of als er in een tank gezeten moest worden dan diende het haar in een haarnetje verpakt te worden. Dat was voor de eigen veiligheid, voor het geval de lange haren tussen de draaiende delen terecht zouden kunnen komen.

Wij, jongemannen, maar niet van de gestampte pot, waren natuurlijk allemaal voor de ’peace’ , maar toen puntje bij paaltje kwam had ik toch niet de moed om dienst te weigeren op basis van gewetensbezwaren en ik heb dan ook mijn tijd helemaal uitgezeten.  De Amerikanen, waarmee wij in Duitsland regelmatig oefenden ( Jaha, wij moesten de Russen tegen houden aan het IJzeren gordijn), wisten niet wat ze met ons meemaakten. Als er in het veld exercities werden gehouden dan liepen zij er strak en gedrild bij, als krijgers en Rambo’s en wij liepen met afhangende schouders en met slome pas nog net in het gelid en bijna in de maat.  Het mocht van ons vooral niet al te fanatiek overkomen, ‘weet je wel’. Dat dit ons regelmatig op extra lange strafexercities kwam te staan, dat namen we op de koop toe. We hadden dan wel geen dienstgeweigerd maar we wilden toch laten blijken het vooral helemaal niet tof te vinden.

De tijd dat ik in Duitsland was gelegerd was tevens de periode dat de links terroristische Rote Armee Fraktion  (R.A.F.)Duitsland in de ban hield van geweld, angst en repressie. Deze groep, waaronder Baader Meinhoff, hield zich bezig met aanslagen, ontvoeringen en ze  pleegden regelmatig overvallen op wapendepots. In Duitsland heerste een ware paranoia en de staat van beleg was er bijna afgekondigd. Er werd een Berufsverbot uitgevaardigd  om mensen met al te linkse sympathieën uit belangrijke functies te kunnen weren. Dat was dus de tijd dat ik in het Noord Duitse Seedorf was gelegerd. Het gelegerd zijn in het Buitenland had naast nadelen ook veel voordelen zoals goedkope sigaretten, zeer goedkope LP’s en het bier liep bijna voor niets uit de kraan. Dat laatste was vooral goed voor de teambuilding, riep onze sergeant majoor altijd stoer. Zolang wij zopen discussieerden we niet en dat was wel net zo rustig, vond hij. Onze sergeant majoor was nog een echte oude Korea strijder, een ijzervreter van het zuiverste water, met een stafje.

Ons leven van infanterist bestond uit lange marsen lopen, op bivak zijn, wachtlopen, eindeloos je schoenen poetsen en je klerenkastje netjes inruimen.. Regelmatig moesten we ook ’s nachts, een eind in het bos, wacht lopen bij het grote wapendepots van de legerbasis. De eerste keer dat we dat moesten doen werden we, vanwege verhoogde terroristische dreiging, streng toegesproken  over schietinstructies en het in gevangenschap nemen van verdachte personen. Wij hadden op de televisie de ravage gezien die de R.A.F. kon aanrichten als het ze echt menis was en wij hadden als groentjes ,die voor hun nummer waren opgeroepen, niet het idee dat wij ze met gelijke munt terug zouden kunnen betalen.

Op een gure winternacht liep ik met een zekere Dries, uit Zeeuws Vlaanderen, ’s nachts de wacht rond de hekken van het wapendepot. Dries was een boerenzoon van streng gereformeerde huize en geloofde niet dat de Amerikanen inmiddels echt op de maan hadden gestaan. Het was een beul van een vent, bijna niet te verstaan en ik vermaakte me wel met hem vanwege zijn authentieke norsheid en naïviteit. Het was pikdonker, er stond een gure oostenwind en quasi onverschillig liepen we onze ronde. Het had geen zin om snel te lopen want onze wacht duurde 1 uur en eerder mochten we toch niet naar binnen.

We liepen met het geladen geweer aan de schouder toen er plotseling in de struiken allerlei rare geluiden te horen waren. Mijn Zeeuwse vriend stond, als Stan Laurel op zijn benen te trillen en tegen zijn geloof in vloekte hij ‘Goeverdoemzag’. Hij of ik had echter moeten roepen “ Halt, wie daar?”. Maar er was iets met onze keel dat dit niet toestond. Dries werd de grond te heet onder de kistjes en hij maakte dat hij een eind uit de buurt ging staan. Ik deed nog wel een flauwe poging om dapper te zijn en riep dat ze tevoorschijn moesten komen, met natuurlijk geen enkel effect. Na wat interessant doenerij met mijn geweer drong ik verder maar niet meer aan en besloot dat het waarschijnlijk wel een beest moet zijn geweest. Want stel nou dat er opeens toch echt een terrorist met zijn handen omhoog uit de bosjes tevoorschijn zou zijn gekomen. Dan had ik me geen raad geweten. Met straffe pas en met het hart bonkend in de keel liepen we in terug naar het wachtlokaal. Hoe moesten we dit nu melden? We rapporteerden stoer: “ Geluid in de struiken was dierenwerk, geen vijand gesignaleerd” en we mochten onze kogels weer inleveren, zoals dat hoorde.

Ik moest die nacht nog een keer mijn ronde doen. Mijn Zeeuwse vriend was met geen knuppel meer naar buiten te krijgen, zogenaamd hondsziek. Van hem mochten ze de hele rakettenboel gratis en voor niets meenemen. Ik heb  me die tweede ronde heel onwezenlijk gevoeld en liep trillend langs de plek waar de vorige keer het ‘onraad’ was gesignaleerd. Ik inspecteerde ter plekke, met het hart in de keel en het koude zweet op de rug,  het hekwerk om te zien of het was doorgeknipt, maar tot mijn geruststelling was alles in orde.

Ik wilde het allemaal meemaken, ik wilde de wereld zien maar die ene nacht dacht ik echt:“La mij maar tomate plukkuh”.

©Jan Scholtes