'Plukkie al'

De zondagen waren als kind soms nogal saai en landerig. Je had je goeie goed aan en het was toch niet de bedoeling dat je in de bagger ging liggen rollen. ’s Morgens naar de kerk, middageten en dan…… Gelukkig had ik een vriendje wiens vader een auto had en die regelmatig ging toeren. De bollenvelden, de Rotterdamse haven etc, zodat ik nog ergens kwam. Maar er waren ook van die lome lege zondagmiddagen dat je met je ziel onder je arm rond zwierf. Nog geen televisie,op de radio G.B.J. Hilterman die onder de middag zijn politieke  beschouwing op de wereld gaf.

Op zo’n middag kon er dan bijvoorbeeld een oom aan komen waaien, op de fiets, of in een jaren vijftig chrome bak zoals je ze nu nog in Cuba veel ziet rijden met witte banden. In zijn goeie pak en nog ruikend naar de chloor, waarmee hij zijn doordeweekse werkhanden had schoon gemaakt. Die oom die kwam dan ‘tuine’. Eens kijken hoe het spul d’r bij stond. U moet weten mijn vader was tuinder en ploeterde de hele week maar door, studieclubs waren er toen niet zo bar veel en er moest toch wel eens zo af en toe wat kennis en ervaring uitgewisseld worden. Bovendien had je als tuinder in huis ook niet veel te zoeken want het werk was in feite nooit af.

Enfin, de oom komt, drinkt een kop koffie, krijgt een sigaar, zet de kamer in de rook en na de vraag: “ Plukkie al?”, staan ze op en vertrekken  keuvelend naar de kassen. “ Nou, aan het pijpie” , hoor ik mijn vader nog antwoorden en ze zijn buiten. Uit verveling liep ik dan eens mee en volgde ze op een afstandje of ik stond er, ook met mijn handen op de rug, eigenwijs tussen. “ Breng ’t nog wat op, Kees?”, vraagt mijn oom. “ Kan beter, ’t houdt niet over” antwoord mijn vader. Af en toe staan ze lang ergens te keuvelen zonder dat ze elkaar aankijken. De een of de ander afwisselend bezig met onkruid wieden, paaltjes rechtzetten, hier en daar wat lucht bijzetten, bij de tomaten een paar struiken blad trekken.

Dat zijn de beste omstandigheden voor mannen om eens intiem te zijn. Een beetje om zich heen kijkend, wat voor zich uit pratend, ondertussen wat met de handen doen, elkaar niet aankijken en ondertussen worden de problemen van de dag besproken, de zwakke prijzen, de Boerenleenbank,  het ongedierte, een nieuwe teelt, problemen met de gezondheid en ga zo maar door . “ Ja, ’t is wat”, zegt de een, “ Zeg dat wel” antwoord de ander en ze lopen weer een kassie verder. “ Nee Kees we krijgen het niet voor niks”, zegt mijn oom terwijl die met zijn haren tegen een  roestige ijzerdraad aanloopt. “ Zeg Kees , denk jij nog wel eens aan nieuwbouw, die lage boel  kan echt niet meer?”. “Ja”, zegt mijn vader, “Maar je zegt net; je krijgt het niet voor niks”. “ Wat je gelijk hebt” zegt mijn oom, einde discussie.

De sigaren lucht van beide heren bleef lang tussen de planten hangen. Het was altijd een vreemd gezicht om mijn vader in zijn zondagse pak in de tuin te zien lopen. Dan was het opeens een heer en als het wat ‘killig’ was altijd de hoed op.

Op weg terug naar de zondagse neut werd er en passant nog wat lucht bijgezet, nog wat spul aan kant gezet en met de handen op de rug kuierden de heren op huis aan. Ik liep er maar zo bij en de vraag van mijn oom kon natuurlijk niet uitblijven. “ En Jan, is dat wat voor jou, tuinder worden”?  Ik had niet zo gauw een eerlijk antwoord en onhandig zei ik eh, eh.  “ Wat je gelijk heb” zei mijn oom. “ Ga jij maar lekker leren, dan krijg je later tenminste ook geen vieze handen”. Nou, daar vond ik wel wat in zitten en ik zei “ Ja”. “Maar wel je vader helpen als het nodig is knul, want van vieze handen is nog nooit iemand dood gegaan”.  Nee, dat niet natuurlijk.

Weer in huis aangekomen namen de heren nog een glaasje en nog een sigaar en ik genoot van de walm die er vanaf kwam en van mijn glaasje Kruk gazeuse uit Monster, uit de fles met de kanteldop. Nee, het leven was niet makkelijk, dat had ik er allemaal wel uit begrepen. En terwijl de heren hun gesprek voortzetten in de ‘mooie kamer’ ben ik maar met mijn autootjes gaan spelen. Nu kon het nog.

©Jan Scholtes