Weet je nog...?
De Staelduin Hoeve
In ons onschuldige rustige roomse dorpje werd er ook zorg besteed aan de wat rijper wordende jeugd. Waar tegenwoordig de islamitische medelander wordt veroordeeld omdat de vrouwen gescheiden leven van de mannen, zo was het in de jaren zestig ook nog in ons fundamentalistische rustige dorpje. In de kerk zaten de vrouwen links en de mannen rechts. Dit staat me nog zo levendig voor de geest omdat ik ook deel uitmaakte van het knapenkoor. Van bovenaf had ik dan een mooi uitzicht over de gelovige kudde en links was altijd het veelkleurige vrouwengedeelte zichtbaar en rechts het zwart en grijs van de heren.
Zo waren ook de
jongens en de meisjes van elkaar gescheiden op verschillende scholen. Vroeg of
laat moest dat toch eens bij elkaar komen en was het zaak de jeugd daarop voor
te bereiden door middel van het hebben van een retraite. Wij, zesdeklassers van
de Bartholomeusschool, gingen daarvoor met de fiets naar de Staelduin Hoeve aan
de Maasdijk.
Daar zouden we seksuele voorlichting krijgen. Heel spannend moest dat zijn. Ik had wel zes zussen maar wist van de wereld nog geen kwaad. Ik had namelijk als enige thuis een eigen kamer. Een eenzame luxe waar ik het voordeel niet zo van inzag.
Een meneer (of was het een priester) onderhield ons twee dagen over van alles en nog wat en ook over het zaad en het eitje. Bij zaad dacht ik altijd direct aan een zakje zaad zoals wij dat bij de zaadhandel van Onings kochten aan de Voorstraat. Helemaal fout, naar later bleek, het zaad waar hier over gesproken werd was afkomstig van ons jongens , als wij later wat groter zouden zijn. Ik wist van niks. Hoe kwam je daar nu aan?
Het bleek dat ons
plassertje daarbij een grote rol speelde en dat het eitje in de buik van de
vrouw groeide. Wat moesten wij jongens nou met vrouwen, die waren toch veel te
oud voor ons? Het leek me allemaal heel sterk , zeker toen ik de indruk kreeg
dat wij later bij de vrouwen in de buik moesten plassen.
Enfin, de voorlichting riep meer vragen op dan dat er vragen beantwoord werden. Het was lachen en wij zouden later zoiets vies zeker niet gaan doen. We zagen er vooralsnog het plezier niet van in en voor de vrouwen leek het me al helemaal geen pretje.
Op het eind van die
twee dagen mochten we nog ons laatste vragen stellen. Het was muisstil totdat
een klasgenootje links van mij zijn vinger opstak en vroeg: “Meester, past dat
nou altijd?”. De meester begreep gelijk wat hij bedoelde en ik hoopte uit zijn
antwoord de vraag voor mij ook duidelijk zou
maken. “Ja, dat past altijd”, was
zijn antwoord, want als een man gemeenschap heeft dan wordt ‘hij’ vanzelf groter
en kan ‘hij’ erin.
In grote verwarring en schaamte kwam ik thuis. Mijn moeder vroeg gelukkig niet hoe het geweest was. Wat stond me allemaal nog te wachten? Die avond heb ik nog lekker lang buiten gespeeld om het allemaal van me af te schudden en het te kunnen vergeten.
Iedere keer als ik met mijn zoon nog wel eens langs de Staelduin Hoeve fiets voor mijn trainingrondjes moet ik er nog aan denken. Uiteindelijk is het toch allemaal nog goed gekomen. Toendertijd werd er niet bijgezegd dat je er ook nog plezier aan kon beleven.
De boodschap mocht blijkbaar niet te aantrekkelijk lijken, want daar kreeg je alleen maar ongelukken van.
Jan Scholtes