Weet je nog...?
Draven en plakken
en ballen afpakken.
Ik ben op de pupillenleeftijd bij Verburch gaan voetballen. Dat was nog op de
twee oude velden die langs de Wateringseweg lagen. Ik denk dat ik daar nog twee
jaar heb gespeeld, waarna de nieuwe velden en het huidige clubgebouw werden
opgeleverd. Als ik het me goed herinner waren de clubkleuren toen ook nog een
wit shirt en een blauwe broek. Dat moet zo rond 1960 geweest zijn.
In kampioenelftallen heb ik nooit gezeten. Als er voor of na schooltijd op het
landje van Luyk werd gepoot om een team uit te mogen kiezen dan was ik vaak wel
een van de laatste die werd gekozen. “Doe ons Schollie dan maar”. Iedere keer
als ik mee mocht doen, deed ik natuurlijk mijn uiterste best om een vaste plaats
in de basis te verwerven, maar een vaste basisplaats heb ik op het landje van
Luyk nooit gekregen.
Als lid van Verburch hoefde ik nooit af te wachten of ik wel gekozen zou
worden met poten, want dan werd ik gewoon opgesteld. Daarvoor moesten wij naar
het huis van Niek Kouwenhoven in de Sutoriusstraat alwaar de opstellingen aan
het huiskamerraam waren geplakt. Daar was te lezen tegen wie en of we uit of
thuis moesten spelen.
Ik
ben benieuw hoe de familie Kouwenhoven het ervaren heeft dat er wekelijks
honderden gezichten vlak voor hun raam opdoken om die opstellingen te
bestuderen. Als verdedigende middenvelder of rechtsback was ik een echte plakker
en draver. Ik had voor geen cent techniek en moest het uitsluitend van mijn
inzet hebben. In de weg lopen, ballen afpakken en zorgen dat ik niet in eigen
doel schoot. Daar had ik het knap druk mee. Als leiders kan ik me met name nog
Piet Voet, Loek van der Klei, Albert (Appie)van Dijk herinneren. Soms had ik het
gevoel dat we een buitenlandse wedstrijd moesten spelen als we bijvoorbeeld op
de fiets naar Juventas moesten. Die hadden hun velden toen nog bij de Hoornbrug
in Rijswijk liggen. ( nee, niet in Turijn)
Daar wij, van de firma Scholtes, in de zomer geen tijd hadden voor vakantie
vanwege de oogsten zat ik toch wel erg verlegen om een uitje. Het fietsen naar
Rijswijk in een guur herfstweer viel nou bepaald niet onder dat soort uitjes. Ik
had al wat ‘dagjes uit’ gescoord met het ‘dagje uit’ van het kerkkoor en met het
misdienaarreisje en nu had ik ook de gelegenheid om mee te gaan op het
voetbalkamp.

Het eerste voetbalkamp dat ik had was in 1964 in Weert, bij de IJzeren man. Ik
kan me nog herinneren dat we onze spullen voor dat kamp ergens in de
Dahliastraat moesten afgeven en dat daar net het legendarische doelpunt, tegen
de lat en op de lijn stuiterend, in de WK finale tussen Engeland en Duitsland
werd afgekeurd. Dat zijn van die momenten dat als je gevraagd wordt : “Waar was
jij op het moment van dat voorval” , dat ik dan kan zeggen : “ in de
Dahliastraat mijn bagage van het voetbalkamp inleveren”.
Daarna waren ook nog kampen in Zeist (in de tijd van de Cats-hit Lea, Lea) en
Den Bosch (bij voetbalstadion de Vliert). De laatste twee kampen dienden met de
fiets bereikt te worden. Ja, ja, je mocht wel mee maar je moest er wel wat voor
over hebben. Van dat fietsen heb ik later mijn hobby gemaakt en als het even kan
ben ik in de bergen te vinden om ‘tourdefransje’ te spelen.

Een jaar in mijn
‘voetbalcarrière’ heb ik gepiekt, toen ik eindelijk eens een vaste plaats in de
voorhoede kreeg. Twintig doelpunten in een seizoen, niemand zal het meer weten,
maar eindelijk kon ik eens thuis komen en zeggen dat ik een doelpunt gemaakt
had. Het eerste elftal heb ik nooit gehaald, maar wat me altijd bij zal blijven
is de geur van gemaaid gras en het vissen naar de bal die in de sloot naast het
veld beland was EN mijn eerste doelpunt, buitenkant voet, achterlangs, uit een
corner. Totaal per ongeluk, maar wel sierlijk (vond ik) en hij zat. Goaaaaal :“
Mama, ik heb een doelpunt gemaakt”!!!!! Oh, mooi. Kijk, daar doe je het voor.