Bungelen

In de zomervakantie ging ik regelmatig met mijn vader (Jaap) mee als hij met de tuinderschuit van de Monsterseweg, hij werkte bij Geert van Ruijven, naar de veiling voer.
Op de schuit stonden kisten met druiven en perziken. Het was in de tijd dat nog niet alle tuinders waren overgegaan op tomaten en sla.

Ik was nog zo jong dat ik geen fiets had en ’s morgens na het ontbijt ging ik lopen om dan rond een uur of tien bij mijn vader te zijn.
Als de schuit volgeladen was pakte m’n pa de ‘boom’, stak die in het water en duwde zo de schuit vooruit. Ik moest sturen met het stuk hout dat zich voorop het vaartuig bevond.

In het begin had ik niet door dat als de schuit naar rechts moest, ik het stuur naar links moest bewegen, hetgeen mijn vader mij met veel geschreeuw probeerde duidelijk te maken.
Op de vaart van de Nieuweweg werd het water breder en kwamen de schuiten van alle kanten aangevaren. Je moest daar ook onder een paar bruggen door en dan ik pakte een buis beet die onder de brug hing en hielp, dacht ik in mijn naïviteit, mee de schuit meer vaart te geven.

Op een dag deed ik dat ook weer, maar vergat ik op tijd om de stang los te laten. De schuit verdween onder me en ik bungelde boven het water. Mijn vader had niets in de gaten tot ik heel hard ‘pappa!!’ riep. Mijn vader kon natuurlijk niet zo gauw de schuit stoppen en omdraaien.
Gelukkig voor mij kwam er niet veel later een andere schuit langs waar ik me op kon laten zakken.
Zo bleef me een nat pak bespaard en misschien wel erger, want zwemmen kon ik nog niet.

Toen ik op de veiling weer bij m’n vader terug was, kreeg ik er verbaal goed van langs, maar ik merkte ook aan hem dat hij flink geschrokken was. Hij stopte me een perzik toe, wat hij echt niet zo gauw zou doen – stelen van de baas – maar dat was zijn manier om mij te laten merken dat hij opgelucht was dat het zo was afgelopen.

 

 

©Willem Olierook