Schrijven als grote hobby

Mijn liefde voor het ‘spelen’ met de Nederlandse taal stamt al vanaf de lagere school.
Een van mijn favoriete bezigheden was het schrijven van een opstel.
Daar waar de meeste van mijn klasgenoten een hekel hadden aan het neerpennen van meer dan een half A4-tje, vond ik het een genoegen om met een ‘thema’ aan de slag te gaan. Ik kon dan heerlijk mijn fantasie de vrije loop laten en het was eerder moeilijk om een eind aan een verhaal te breien dan om de vereiste twee blaadjes vol te maken.
Op een dag gebeurde er dit…

De meester schraapte zijn keel. ‘Kinderen’, zo begon hij, ‘een van jullie heeft een prijs gewonnen. Weten jullie nog dat je een paar maanden geleden een opstel hebben geschreven voor een wedstrijd? Wim Olierook heeft de tweede prijs gewonnen’.

Zo ongeveer maakte meester Kemper wereldkundig dat er een groot schrijver in Poeldijk tot ontluiking was gekomen. Ik was niet eens verbaasd, nee sterker nog, ik was teleurgesteld dat het niet de eerste prijs was. Het was zo’n mooi verhaal; over Michiel die vaak naar de haven ging om naar de schepen te kijken. Hij wilde op een dag ook met zo’n boot mee. De oceaan over naar verre, onbekende oorden. Hij droomde er zelfs van. Dat hij de kapitein was en nieuwe landen ontdekte met inboorlingen die hem koning wilde maken van hun land (dat had ik vast in een bibliotheekboek gelezen).

Op een woensdagmiddag gingen meester Kemper op de brommer – ik hield hem stevig om zijn middel vast – naar Naaldwijk waar de prijsuitreiking zou zijn. Bij de meester achterop, dat had vast nog geen enkele jongen gemogen. Ik mocht weleens een boodschap voor meester Kemper doen: een pakje ‘777’ – ik zal die naam nooit vergeten – kopen, sigaretten, die hij in de klas rookte, hij inhaleerde diep en bij het praten zag je de rook met z’n woorden uit zijn mond wolken. Een fascinerend gezicht; ik wilde later ook roken en ook zo toveren met de rook…

In het gebouw waren een heleboel meisjes en jongens met grote mensen erbij. Er stonden stoelen in rijen en we gingen een beetje voorin zitten. Een man vertelde iets – geen idee meer waarover, maar ongetwijfeld over de wedstrijd – en opeens hoorde ik mijn naam: Wim Olierook. Meester Kemper stootte me lichtjes aan en ik begreep dat ik naar de man toe moest gaan. Hij gaf me een hand en een soort envelop. Weer naast de meester op mijn stoel maakte ik de envelop open en ik haalde er een papiertje uit: een boekenbon. Er stond vijfentwintig gulden op. Ik wist nog niet veel van geld en de waarde ervan, maar ik had wel het idee dat het best veel was. Hoeveel merkte ik bij het kopen van een aantal boeken: zeven! Kreeg ik met Sinterklaas en mijn verjaardag weleens één boek, nu had ik er in een keer zeven.

Een heerlijke herinnering die ik koester en die ervoor gezorgd heeft dat ik korte verhalen ben gaan schrijven naast gedichten – vroeger ‘rijmpjes’ – waarvan ik inmiddels al twee bundels heb gepubliceerd.
Ook het interviewen van meestal onbekende mensen, die vaak toch heel wat te vertellen hebben, en het vervolgens omzetten naar een mooi artikel is iets dat ik graag doe. Meestal voor kerkelijke bladen in mijn huidige woonplaats Apeldoorn.


De volgende keer wil ik schrijven over een andere hobby van me die ook in Poeldijk is begonnen, namelijk: toneelspelen.

 


 

©Willem Olierook